Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schleiermacher de namen van onzichtbare en zichtbare kerk toe. Hun vroeger gebruik was verkeerd, want van de onzichtbare kerk is het meeste niet onzichtbaar, wijl de wedergeboorte naar buiten in belijdenis en leven openbaar wordt, en van de zichtbare kerk is het meeste niet kerk, wijl het tot de wereld behoort. Onzichtbare kerk duidt niet zoozeer personen, als wel werkingen des Geestes in de personen aan, en zichtbare kerk geeft te kennen, dat deze werkingen des Geestes bij alle geloovigen nog samengaan met nawerkingen der zonde 1). Beide staan dus tot elkander in verhouding als wezen en verschijning, als idee en werkelijkheid, en worden in dienzelfden zin ook door vele andere theologen opgevat 2). Sommigen laten daarbij de oude namen varen en spreken liever van Godsrijk en kerk 3), of ook van gemeente en kerk 4). Men kan deze zichtbare kerk dan nog wel met Stahl houden voor eene stichting van Christus; maar de meesten beschouwen haar als een bestaansvorm, dien de gemeente zichzelve schenkt en naar gelang van omstandigheden wijzigen kan 5), of oordeelen zelfs, dat de institutaire kerk haar tijd heeft gehad, en in eene belijdende gemeente 6), of zelfs in den staat 7) moet overgaan. Niet weinigen zien in de kerk eene stichting, welke door Christus niet gewild of bedoeld is en die feitelijk de oorzaak is van de verbastering van het Christendom 8).

490. De naam bn;5, sxxXrjGia, duidt reeds krachtens zijne afleiding van werkwoorden, die samenroepen beteekenen, eene vergadering van menschen aan, die voor een of ander, inzonderheid politiek

') t. a. P. § 148.

- Nitzsch, Svst. d. Chr. Lehre § 186—188. Lange, Dogm. II 1090 v. Martensen, Dogm. § 191. J. Miiller, Dogm. Abh. 332 v. Thomasius, Christi Person u. Werk II3 505. Frank, Chr. Wahrheit II2 369. Kaftan, Dogm. bl. 573, 585 enz.

*) A. Bomer, Kirche und Reich Gottes 1883. Krauss, Das protest. Dogma v. d. uds. Kirche 1876.

4) Stahl, Die Kirchenverfassung bi. 67. De la Saussaye in mijne Theol. van d. J. S'2. 66 v. Van Oosterzee, Dogm. § 129.

6) Lipsius, Dogm. § 859 v. Tiele, Inl. tot de godsdienstwet. II 1899 bl. 141 v.

') Pfleiderer, Religionsphil. 1896 bl. 745. Sohm, Kirchenrecht passim. Chavannes, Qu est ce qu' une église? Paris Fischbacher 1897. Sabatier, Les religions d'autorité et la religion de 1'esprit. Paris 1904. Rau\cenhoff, Wijsbeg. v. d. godsd. 843.

5) Strausz, Dogm. II 618. Rothe, Theol. Ethik § 124 v. 440 v. 1167 v. Cf. J. Happel, Rothes Lehre v. d. Kirche. Leipzig 1909. Thoma, R. Rothes Lehre v. d. Kirche, Theol. Stud. u. Krit. 1910 bl. 244—299.

®) Bijv. Hans Faber, Das Christ. der Zukunft. Zurich 1904.

Sluiten