Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in de Ned. Geloofsbel. art. 27—29, in de Dordsche kerkenorde passim. Het komt er slechts op aan, om deze beteekenis in het bewustzijn te verlevendigen.

De woorden gemeente en kerk kunnen dan naast elkander gebruikt worden maar zij zijn nooit zoo van elkander te onderscheiden, dat het woord gemeente de vergadering der geloovigen op eene bepaalde plaats en het kerk de saamvoeging der gemeenten tot één geheel aanduidt. Want kerk en gemeente zijn beide vertalingen van hetzelfde woord êxxkrjaia en hebben daarom dezelfde beteekenis. Beide woorden ^jn namen voor de vergadering der geloovigen, hetzij op eene bepaalde plaats, hetzij in een land, hetzij over de gansche aarde. Geheel verkeerd is het daarom, om bij gemeente aan de ware geloovigen, bij kerk aan de schijngeloovigen te denken, of beide begrippen te vereenzelvigen met die van onzichtbare en zichtbare kerk, of ook onder gemeente de vergadering der geloovigen en onder kerk het instituut te verstaan. Hoogstens verschillen zij daarin, dat gemeente meer denken doet aan de gemeenschap der geloovigen onderling, en kerk meer aan diezelfde geloovigen, gelijk zij institutair, onder ambt en bediening des woords, georganiseerd zijn. Beide malen is het dan echter toch dezelfde vergadering van geloovigen, die erdoor aangeduid wordt; slechts het gezichtspunt verschilt, waaruit zij beschouwd wordt. Terwijl deze beide woorden dus op kerkelijk terrein burgerrecht bezitten, is het gansch anders met het woord kerkgenootschap gesteld. Deze naam heeft allengs een coUegialistischen bijsmaak verkregen. Het kwam hier te lande in gebruik in 1773 door de eerste berijming van de twaalf geloofsartikelen, werd dan in den zin van plaatselijke of van algemeeno kerk opgenomen in de staatsregeling van 1798, 1801 en 1805 werd in de grondwet van 1814 en 1815 vervangen door het woord godsdiensten en godsdienstige gezindheden, en daarna in de grondwet van 1848 en 18S7 en ook weer in de wet op de kerkgenootschappen van 10 Sept. Ib53 naast den naam van godsdienstige gezindheden ingevoerd. Ofschoon het woord eerst eene plaatselijke gemeente aanduidde, wordt het thans gewoonlijk verstaan van eene vereeniging, waarvan de plaatselijke afdeelingen (gemeenten) leden zijn, en waartoe men door eene vrijwillige keuze toetreedt. Maar in dezen zin is eene kerk juist geen genootschap, want zij ontstaat niet door vrijwillige toetreding van volwassen personen, maar uit de wedergeboorte door den H. Geest.

Eindelijk verdient het ook geene aanbeveling, om het woord

Geref. Dogmatiek IV. Q1

Sluiten