Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Op grond daarvan heet de kerk het lichaam van Christus, 1 Cor. 12 : 27, Ef. 5 : 23, Col. 1 :18, de bruid van Christus, 2 Cor. 11: 2, Ef. 5 : 32, Op. 19 : 7, 21: 2, de schaapskooi van Christus, die zijn leven stelt voor de schapen en door dezen gekend wordt, Joh. 10, het gebouw, de tempel, het huis Gods, Mt. 16 :18, Ef. 2 : 20, 1 Petr. 2:5, opgetrokken uit levende steenen, 1 Petr. 2:5, op den hoeksteen Christus en op het fundament van apostelen en profeten, 1 Cor. 3 :17, 2 Cor. 6 :16, 17, Ef. 2 : 22, Op. 21:2—4, het volk, het eigendom, het Israël Gods, Rom. 9:25, 2 Cor. 6:16, Hebr. 8:10, 1 Petr. 2:9, 10. De leden der kerk heeten ranken aan den wijnstok, Joh. 15, levende steenen, 1 Petr. 2 :5, uitverkorenen, geroepenen, geloovigen, geliefden, broeders en zusters, kinderen Gods enz., en zij, die dit niet in waarheid zijn, worden in de Schrift beschouwd als kaf aan het koren, Mt. 3 :12, als onkruid onder de tarwe, Mt. 13:13, als kwade visschen in het net, Mt. 13 :47, als een mensch zonder feestkleed op de bruiloft, Mt. 22 :11, als geroepen doch niet uitverkoren, Mt. 22 :14, als kwade ranken aan den wijnstok, Joh. 15:2, als niet Israël, schoon uit Israël zijnde, Rom. 2 : 28, 9 : 6, als boozen, die weggedaan moeten worden, 1 Cor. 5:12, als vaten ter oneere, 2 Tim. 2 :20, als zulken, die uit ons uitgegaan zijn maar niet uit ons waren, 1 Joh. 2 :19 enz. Dit alles verheft het boven allen twijfel, dat de kerk naar haar wezen een vergadering van ware geloovigen is. Zij, die het oprechte geloof niet deelachtig zijn, mogen uitwendig tot de kerk behooren; zij maken toch haar wezen, haar forma niet uit, zij zijn in, maar niet de ecclesia.

Bevestigd wordt dit nog door de wijze, waarop de Schrift van de gemeenschap der heiligen spreekt. De geloovigen hebben één Heer, één geloof, één doop, één God en Vader van allen, en zoo ook hebben zij éénen Geest, Ef. 4:4—6, in wiens gemeenschap zij leven, door wien zij wedergeboren, tot één lichaam gedoopt en met Christus vereenigd zijn, Joh. 3:5, 14:17, Rom. 8: 9, 14, 16, 1 Cor. 12 : 3, 13, 2 Cor. 1: 22, 5 : 5, Ef. 1: 13, 4 : 30, 1 Joh. 2 : 20. En deze Geest doet in de eenheid de verscheidenheid rftet te niet, welke onder de geloovigen bestaat, maar Hij handhaaft en bevestigt ze. Gelijk Hij in schepping en onderhouding alle dingen op hunne wijze versierde en voltooide '), en onder Israël allerlei natuurlijke en geestelijke gaven schonk2); zoo deelde Hij zichzelf op den Pinkster-

*) Verg. deel II 261 v. 2) ib. bl. 264.

Sluiten