Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dag met al zijne charismata aan de gemeente van Christus mede. Deze charismata omvatten in ruimer zin ook de weldaden der genade, die het deel van alle geloovigen zijn, Rom. 5: 15, 16, 6:23; maar duiden in enger zin die bijzondere gaven aan, welke aan de geloovieen in verschillende mate en graad ten nutte van elkander geschonken zijn, Rom. 1:11, 1 Oor. 1: 7, 2 Cor. 1: 11, 1 Tim. 4 : 14, 2 Tim. 1 : 6, en vooral Rom. 12:6-9 en 1 Cor. 12:12v. Van al deze gaven is de H. Geest, die ze alle uit Christus neemt. Joh. 16:13 14, Ef. 4:7, de uitdeeler; Hij deelt ze aan een iegelijk uit, gelijke'rwijs Hij wil, echter niet naar willekeur, maar in verband met de mate des geloofs, met de plaats, die iemand in de gemeente inneemt, en met de taak, waartoe hij geroepen is, Rom. 12: 3, 6, 2 Cor. 10 :13, Ef. 4 : 7, 1 Petr. 4:10, zoodat elke gave eene <pavequnsi? tov nvevilcctog is, 1 Cor. 12:7. Deze gaven zijn zeer vele in aantal. Paulus noemt er onderscheidene op, en bedoelt nog geenszins eene volledige lijst te geven. De Roomschen spreken, evenals van zeven hoofdzonden, zeven deugden, zeven zaligheden, zoo ook gaarne met beroep op Jes. 11:2, 3 van zeven dona Spiritus Sancti1). Maar dit zevental omvat niet de eigenlijke charismata, die door Paulus worden opgenoemd en die in de Roomsche theologie veeleer onder den naam gratiae gratis datae ter sprake komen «). En deze zijn niet tot een zevental te beperken. Bij die, door Paulus opgeteld, kunnen ook nog gevoegd worden die van gebed en dankzegging, van vermaning en vertroosting, van mededeelzaamheid en herbergzaamheid enz. Eene indeeling is daarom ook moeilijk te geven

Sommige dragen duidelijk een bovennatuurlijk karakter of zijn eerst

in of na de bekeering geschonken, andere vertoonen meer den aard van natuurlijke gaven, die door den H. Geest verhoogd en geheilig zün Gene traden in den eersten tijd vooral sterk op den voorgrond, deze zijn meer eigen aan de kerk in hare historische, normale ontwikkeling. Maar welke die gaven ook zijn, zij dienen allen ten nutte van de gemeente. De communio sanctorum is eene sanctorum communicatio 8). De H. Geest deelt de charismata niet aan de leden der gemeente uit ten bate van henzelven, maar ten bate van anderen. Zij mogen niet begraven of verzuimd, maar moeten ten nutte

1) Lombardus, Sent. III dist. 34. Thomas, S. Theol. I 2 qu. 68 II 2 qu. K Boventura, Brevil. V 5. Meschler, Die Gabe des h. Pfingstfestes 3 e Aufl. Freiburg 1896 bl. 233 v. Simar, Dogm. 554. Henncli-Gutberlet, Dogm. \

2) Simar, Dogm. bl. 486.

3) Calvijn, Inst. IV 1, 3.

Sluiten