Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en ter zaligheid der andere leden gewilliglijk en met vreugde aangelegd worden 1), zij dienen tot oixoöo^ir;, 1 Cor. 14:12, Ef. 4:12, en zijn ondergeschikt aan de liefde, welke de uitnemendste gave is. Deze liefde toch is nog eene andere dan de algemeene naastenliefde; zij is de liefde tot de broederen, tot de huisgenooten des geloofs. Jezus noemt deze liefde een nieuw gebod, Joh. 13:34,35, 15 :12, 17 : 26, omdat de liefde onder Israël niet een zuiver geestelijk karakter droeg, maar met de banden des bloeds was samengestrengeld, en de liefde, die Hij thans onder zijne jongeren tot stand brengt, eerst volkomen zuiver, onvermengd en van aardsche betrekkingen onafhankelijk is. De leden van Jezus' gemeente zijn broeders en zusters onder elkander, Mt. 12 : 48, 18 : 15, 23 : 8, 25 : 40, 28 : 10, Joh. 15 :14, 15, 20 : 17, Rom. 8 : 29, Hebr. 2 :11 enz. Zij zijn kinderen van één gezin; God is hun Vader, Ef. 4:6, Christus hun eerstgeborene broeder, Rom. 8: 29, Jeruzalem, dat boven is, hunne moeder, G-al. 4:26. En zoo hebben zij elkander met al hun geestelijke en natuurlijke gaven te dienen. De kerk is eene gemeenschap der heiligen 2).

491. Zoolang wij dit wezen der kerk vasthouden, baart haar begrip geen overgroote moeilijkheid. De kerk is dan altijd in ruimer of in enger zin de vergadering der geloovigen. In den ruimsten zin omvat zij allen, die door het geloof in Christus zalig zijn geworden of het ook nog zullen worden. Adam en Eva vóór den val behooren er dan nog wel niet toe, want zij hadden toen nog geen middelaar van noode. En ook de engelen kunnen niet tot haar gerekend worden, ofschoon dit door velen geschiedde; want Christus is wel de Heer der engelen en heeft door zijn kruis alle dingen, ook engelen en menschen, in de rechte verhouding tot God en tot elkander geplaatst; maar engelen zijn toch niet naar Gods beeld geschapen, zijn niet gevallen en niet door Christus verlost en zijn dus ook geen leden van de kerk, welke Christus vergadert ten eeuwigen leven 3). De geloovigen komen volgens

n) Heidelb. Catech. antw. 55.

■) Verg. deel III 566 v. en voorts nog Amesius, Med. Theol. II 2 § 12—23. Voetius, Disp. II 1086—1100. Neander, Pflanzung u. Leitung d. christl. Kirche5 bl. 180 v. Pfleiderer, Der Paulinismus 242. Holtzmcinn, Neut. Theol. II 143, 175. Art. <Jeistesgaben van Cremer, in PRE3 VI 460 Lauterburg, Der Begriff des Charisma und seine Bedeutung für die prakt. Theol. Gütersloh 1898.

*) Verg. deel II 487 v. en deel III 536 v.

Sluiten