Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kerken zijn, er zijn toch. twee partes in de kerk 1). En de Catech. Rom. zegt, dat er in de strijdende kerk duo hominum genera zijn, en dat er volgens de Schrift kwade visschen in het net zijn en onkruid op den akker en kaf op den dorschvloer, dwaze onder de wijze maagden en onreine dieren in de ark a). In theorie wijkt dit niet veel af van de leer der Reformatie; maar practisch zag het er met de kerk tegen het einde der Middeleeuwen gansch anders uit, en Rome voedt ook steeds het denkbeeld, dat uitwendig lidmaatschap, historisch geloof, onderhouding van de geboden der kerk en onderwerping aan den paus het wezen der kerk constitueeren.

Daartegen kwam de Hervorming in verzet en stelde zij de onderscheiding over van zichtbare en onzichtbare kerk. Augustinus had reeds gelegd van de naamchristenen, quum intus videntur, ab illa invisibili caritatis compage separati sunt8), en eigenlijk kan Lome tegen deze onderscheiding geen bezwaar hebben en aanvaardt ze ook zelve, inzoover zij in de ééne kerk duo hominum genera, duas partes onderscheidt. Bellarminus handelt over de infideles occulti4), en Möhler prijst Luther, als deze de kerk opvat als eene gemeenschap der heiligen en zegt, dat de geloovigen, die Unsichtbaren, de dragers der zichtbare kerk zijn 5). Maar de onderscheiding van zichtbare en onzichtbare kerk kan verschillend opgevat worden6). De meeste dezer opvattingen zijn echter te verwerpen of komen althans niet in de dogmatiek ter sprake. Onzichtbaar is de kerk niet te noemen, omdat Christus, omdat de ecclesia triumphans, omdat de aan het einde der eeuwen voltooide kerk thans niet voor ons waar te nemen valt; noch ook, omdat de kerk op aarde in vele plaatsen en landen door ons niet gezien wordt of in tijden van vervolging verborgen is of soms van bediening van woord en sacrament verstoken is. De onderscheiding van zichtbare en onzichtbare kerk is alleen op de ecclesia militans van toepassing en duidt dan aan, dat de kerk naar hare geestelijke zijde of in hare ware leden onzichtbaar is. Beide deze beteekenissen zijn bij Lutherschen en Gereformeerden ineengevloeid en kunnen ook niet uit elkander gehouden worden. De kerk is een voorwerp des geloofs. Het mwen-

t. a. p. III 9.

2) Catech. Rom. I 10 qu. 6, 7.

3) Augustinus, de bapt. III 19, bij Seeberg, t. a. p. bl. 42.

4) Bellarminus, de eccl. mil. III 10.

5) Möhler, Symbolik § 49.

") Boven bl. 310 v.

Sluiten