Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

der geloovigen overlaten. Het begrip van haeresie en schisma heeft daardoor eene rekbaarheid verkregen, welke in het gebruik tot voorzichtigheid maant. Sedert de Reformatie isjlekerkovergegaan in de periode der pluriformiteit ^ en dit feit dwingt ons^orn^de •eenheid" der kerk veelmeer in den geestelijken band des gelooft dan in den uitwendigen vorm der regeering te zoeken

496. In overeenstemming hiermede krijgen ook de zoogenaamde eigenschappen (attributa, proprietates, adjuncta, affectiones, epitheta, elogia) der kerk op Protestantsch standpunt een geheel anderen zin dan bij Rome. Rome heeft een absoluut en exclusief kerkbegrip; het kan de bediening van woord en sacrament niet orkennen als kenteeken der kerk, wijl deze ook buiten de Roomsche kerk, zij het in onzuiveren vorm, nog voorkomt; het kan daarom ook geen onderscheid maken tusschen kenteekenen en eigenschappen der kerk, want de eigenschappen zijn juist de indicia, die de «enige ware kerk aanwijzen; en het moet eindelijk die eigenschappen zoo zinnelijk, tastbaar en uitwendig opvatten, dat zij alleen op de Roomsche kerk van toepassing zijn en deze als de alleenzaligmakende aan allen in het oog doen springen. De eerste eigenschap, de eenheid der kerk, duidt dan ook wel aan, dat de gemeente één Heer, één geloof, één doop heeft, maar toch komt zij volgens Rome vooral daarin uit, dat de door Christus gestichte kerk één zichtbaar hoofd in den paus heeft (unitas hierarchica, regiminis) en nooit eene andere kerk naast zich (unitas simultanea) of na zieh (unitas successiva) hebben kan; eigenlijk is de paus het «éne, afdoende kenmerk der ware kerk 2). Door deze alzoo opgevatte eenheid der kerk is Rome verplicht, om tegenwoordig over de helft der gansche Christenheid het anathema uit te. spreken. Zelfs de gedachte van Pusey in zijn Eirenikon en van W. Palmer

1) Gladstone, The place of heresy and schism in the modern Christian Churcta, Nineteenth Century Aug. 1894 bl. 157-194. Himchius, art. Haresie in PEE* VII .319-321 en Schisma, ib XVII 575-580. Over de pluriformiteit van kerk en theologie, Kuyper, Encyl. II2 614 v. en daartegen Th. F. Bensdorp, Pluriformiteit. Een fundamenteele misvatting van Dr. A. Kuyper of een hopeloos pleidooi. Amsterdam G. Borg 1901.

2) Zie Cat. Rom. I 10, 10. Schema const. dogm. de eccl. Christi en de daarbij

behoorende adnotationes op het Vaticaansch concilie, Collectio Lacensis MI .569, 586-588. Bellarminus, de eccl. mil. IV 9, 10. Scheeben-Atzberger, Dogm. I\ ■340. Schanz, Apol. d. Christ. III § 6.

Sluiten