Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die tusschen onzichtbare en zichtbare kerk. Het is eene distinctie in de zichtbare kerk en zegt, dat de kerk als vergadering der geloovigen op tweeërlei wijze voor ons openbaar wordt, in ambten en genademiddelen als instituut, en in gemeenschap des geloofs en des levens als organisme. Bij deze onderscheiding wordt nu steeds de vraag opgeworpen naar de prioriteit. Sommigen stellen het zoo voor, dat het instituut der kerk met ambt en bediening altijd aan 'de kerk als vergadering van geloovigen voorafgaat en leggen dus op het mater fidelium den nadruk. Anderen oordeelen, dat de kerk als vergadering der geloovigen de eerste plaats inneemt en dan zelve naar den drang der omstandigheden zich op de eene of andere wijze institutair inricht. Zelfs wordt daarin dan het principiëele verschil tusschen Protestantisme en Romanisme gezocht. De onderscheiding van de kerk als instituut en organisme met die in zichtbare en onzichtbare kerk verwarrend, zegt Schleiermacher, dat het Protestantisme das Verhaltniss des Einzelnen zur Kirche abhangig macht von seinem Verhaltniss zu Christo, terwijl het Romanisme omgekeerd das Verhaltniss des Einzelnen zu Christo abhangig macht von seinem Verhaltniss zur Kirche l). En volgens Möhler gaat bij Rome de zichtbare kerk aan de onzichtbare, doch bij de Lutherschen deze aan gene vooraf a).

Maar heel deze voorstelling is verre van volledig en juist te achten. Want 1° is van Tertullianus' dagen af aan 8), de kerk door alle Christenen niet alleen een coetus, maar ook een mater fidelium genoemd. De Protestanten zijn daarin met de Roomschen eenstemmig, en Calvijn legt er zelfs zeer sterken nadruk op 4). En dat.was de kerk volgens hunne overtuiging, niet omdat zij vrij en zelfstandig zich tot instituut organiseerde en zichzelve eene eigene regeering gaf, maar omdat Christus haar alzoo ingericht had. Het instituut der kerk is volstrekt niet, althans niet volgens de Gereformeerde belijdenis, een product der gemeente, maar eene instelling van Christus. En dat deze overtuiging op goede, schriftuurlijke gronden steunt, zal in het vervolg duidelijk blijken. 2° De kerk als vergadering der geloovigen komt niet, gelijk Schleiermacher zegt, durch das Zusammentreten der einzelnen Wiedergeborenen tot stand0).

Schleiermacher, Chr. Gel. § 24.

2) Möhler, Symbolik § 48.

3) Tertullianus, do orat. 2. de monog. 7. adv. Mare. V 4.

4) Calvijn, Inst. IV 1, 4.

5) t. a. p. § 115.

Sluiten