Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is hun door Jezus gegeven 1), Luk. 6 : 13, cf. 11: 49, Mt. 23 : 34, 10 : 2, Mk. 6 : 30, Luk. 9 : 10, 17 : 5, 22 :14, 24 :10, omdat zij door Hem werden uitgezonden om te prediken, Mk. 3:14. Jezus was zelf de gezondene van den Vader, Joh. 3 : 34, Hebr. 3:1, en had tot uitvoering van zijn werk getuigen van noode, die het in Hem verschenen Evangelie bekend maakten onder heel het volk van Israël, Mt. 10:6. Deze naamgeving door Jezus wordt daardoor bevestigd, dat het woord apostel van den beginne aan een ambtsnaam is geweest, zoozeer zelfs, dat het woord xpsvóanoavoloi gevormd kon worden, 2 Cor. 11: 13. Het woord rnVd komt trouwens in LXX slechts eenmaal, 1 Kon. 14: 6, en bet woord dnoaxoloc in het profaan Grrieksch zelden voor.

Toch schijnen deze feiten der Schrift over het apostolaat door andere gegevens weersproken te worden. Ten eerste is het onzeker, wie tot dit twaalftal apostelen gerekend moeten worden. Ook al wordt het verschil tusschen de vier apostellijsten, Mt. 10:2, Mk. 3 : 16, Luk. 6 :14, Hd. 1: 13 in dien zin opgelost, dat Lebbeus Thaddeus en Judas Jacobi vereenzelvigd worden, dan blijft toch nog over, dat Judas uitviel en door Matthias vervangen, Hd. 1 : 15—26, en later Paulus nog aan het twaalftal toegevoegd werd. De verhouding van Paulus tot de twaalven is daarbij verre van duidelijk. Wel maakt Paulus meermalen dit onderscheid, dat de apostelen te Jeruzalem onder Israël en hijzelf onder de Heidenen het Evangelie verkondigen zou, Hd. 9 : 15, 13 : 47, 22 : 21, Rom. 11:13, Gal. 1:36, 2:7—9, Ef. 3 :8, 1 Tim. 2: 7, 2 Tim. 1:11. Maar dit onderscheid is toch zeer relatief; want Paulus wendde zich bij zijne Evangelieverkondiging altijd eerst tot de Joden, Hd. 13: 5, 14, 46 enz. en de twaalf apostelen ontvingen van Christus na zijne opstanding den uitdrukk el ijken last, om aan alle volken het Evangelie te prediken, Mt. 28:19, Hd. 10:42, en hebben aan dien last ook in meerdere of mindere mate voldaan. Niet alleen de gemeente uit de Joden, maar geheel de Nieuwtestamentische gemeente rust op het fundament van apostelen en profeten, Ef. 2:20, Op. 21:14, en heeft door hun woord gemeenschap aan Christus, Joh. 17 : 20, 1 Joh. 1: 3. Het apostolaat van Paulus draagt echter

*) Het is niet onmogelijk, dat de naam van apostelen reeds bij de Joden in gebruik was voor zulke mannen, die door het sanhedrin werden uitgezonden, om een bepaald mandaat uit te voeren ten opzichte van de Joodsche gewoonte buiten Judea, Harnack, Mission und Ansbreitung des Christ.'- I 267 v. Staerk, Neut. Zeitgesch. II 43.

Sluiten