Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zalem door de vervolging verstrooid werd, ging Philippus, een van de in Hd. 6 verkozen zeven mannen, het Evangelie prediken onder de Samaritanen, Hd. 8:5, aan den eunuch der koningin Gandace, 8:26, cf. 11:20, en verder tot Cesarea toe, 8:40, 21:8. En zoo bediende zich Paulus bij zijn zendingsarbeid van mannen als Barnabas, Markus, Lukas, Silas, Tychicus, Aristarchus, Epaphras, Apollos, Timotheus, Titus e. a., die als zijne avveqyoi, 1 Thess. 3 :2, hem ter zijde stonden. Deze hulpzendelingen der apostelen werden nu door Paulus soms ook apostelen genoemd, omdat zij wel niet rechtstreeks door Jezus Christus, maar toch onder leiding des H. Geestes door de gemeente gezonden waren, om op andere plaatsen het Evangelie te verkondigen, Hd. 13:2, 3, cf. 2 Oor. 8:23, dnocxoloi sxx^ciwv. Het woord apostel kreeg naast den engeren dus ook een ruimeren zin, Hd. 14 : 4, 14, Rom. 16 : 7, 1 Cor. 4 . 6, 9,9.5, 15 . 7, 2 Oor. 11: 5, 13, 12 :11, Gal. 1:19, 1 Thess. 2 : 6, Op. 2 : 2, en leefde zoo ook nog later in den na-apostolischen tijd, bijv. in de Didache voort.

Elders dragen deze apostolische helpers den naam van evangelisten, Hd. 21:8, Ef. 4:11, 2 Tim. 4:5, omdat zij, gelijk Christus door 'den Vader, Luk. 4: 18, en de apostelen door Christus, Luk. 9:1,6, zoo op hun beurt onder de leiding des Geestes door de gemeente werden afgezonderd voor de verkondiging van het Evangelie, Hd. 8: 5, 12, 40, 11:19, 20, 22, 13 : 2, 2 Cor. 8:18, 19, 23, Phil. 2 :25, 1 Tim. 4:14. Zij komen dus in drie opzichten met de apostelen in enger zin overeen: 1° daarin, dat zij ook dienaren Gods of van Christus zijn, 1 Thess. 3:2, 1 Tim. 4:6, 6 :11, 2 Tim. 2 : 24, en niet maar een charisma hebben ontvangen, 1 Tim. 4:14, 2 Tim. 1: 6, doch werkelijk krachtens eene bijzondere roeping en aanstelling een ambt dragen, onder een bepaalden naam, Hd. 21:8, met een eigen rang en plaats, Ef. 4:11, en met eene speciale taak, 2 Tim. 4:5; 2° dat hun ambt niet tot eene plaatselijke kerk beperkt is, maar zich uitstrekt tot alle kerken, tot de ecclesia universalis, Hd. 13: 4v., zoodat zij naar de oud-kerkelijke verklaring 7T.avva%ov rteonovitg sxrjQVTtov en macht en gezag hadden over alle kerken, Tit. 1:5; en 3° dat zij deelnemen aan den grondleggenden en gemeentestichtenden arbeid der apostelen; zij zijn hunne avvsqyoi, 1 Thess. 3 : 2, ovvexórjuoi, Hd. 19 : 29, (Jvvgtqutiwtcci, Phil. 2 : 25, crvvSoidoi, Col. 1:7, 4:7, die natmaken wat de apostelen hebben o-eplant, 1 Cor. 3:6, en bij relatieve zelfstandigheid toch aan de apostelen onderworpen waren, Hd. 19:22, 1 Cor. 4:17, 1 Tim. 1: 3, Tit. 1:5 enz. en ten deele alleen, ten deele ook in gezelschap

Sluiten