Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van profeten en apostelen. Zij worden niet onmiddellijk door Christus noch ook door zijne gemeente geroepen en aangesteld, maar ontvangen een bijzonder charisma van den H. Geest, en zijn dientengevolge geroepen, om eene bijzondere taak te vervullen in de gemeente van Christus. 2° Met de apostelen en evangelisten hebben zij gemeen, dat zy een ambt bekleeden, hetwelk voor heel de kerk van Christus op aarde geldt, en alzoo ook medearbeiden aan de grondlegging der gemeente, Ef. 2:20, maar terwijl de ■evangelisten de apostelen vooral helpen in hun missioneerenden •en institueerenden arbeid, staan de profeten hun ter zijde in hun opbouwende, stichtende, leerende werkzaamheid. 3°. De N. T. profetie is wel bewust en daarom hoog te achten boven de glossolalie, 1 Cor. 14:5, 32, maar zij is toch momentaan en buitengewoon, vrucht van a7Toxakvipig, 1 Cor. 14:30; zij breidt de natuurlijke mate van het weten en kennen uit, omvat zoowel den vorm als ■den inhoud der rede, Mt. 10 : 19, 20, bewijst zich als waarheid door hare innerlijke, overtuigende kracht, 2 Cor. 2:14—17, en diende vooral, om aan het Evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd, dat den Joden een ergernis en den Grieken eene dwaasheid was, en nog niet in het geschreven Woord voor heel de kerk toegankelijk was, ingang te verschaffen bij geloovigen en ongeloovigen en de gemeente alzoo door leering, vermaning, vertroosting, 1 Cor. 14: 3, op te bouwen in de genade en kennis van den Heere Jezus Christus 1).

Maar hoe nauw profeten en evangelisten ook aan de eigenlijke apostelen verwant zijn, zij zijn er toch wezenlijk van onderscheiden. De apostelen vormen een eigen kring, hun ambt draagt een gansch bijzonder karakter, en is door de volgende trekken kenbaar. 1°. De apostelen zijn aan Christus door den Vader gegeven, Joh. 1< : 6, door Hemzelven uitverkoren en geroepen, Joh. 6 : 70,13 :18,15 :16, 19, 1 Cor. 1:17, 2 Cor. 5 :20, Gal. 1: 1, door God gekozen tot hun ambt, Hd. 10:41. 2°. Zij zijn door Jezus zelf voor hunne taak opgeleid en bekwaamd, zijn oor- en ooggetuigen van zijne woorden ■en daden geweest, hebben het Woord des levens met de oogen aanschouwd en met de handen getast, en hun Evangelie niet van

l) Verg. over de N. T. profeten: Voetius, Pol. Eccl. III 369, cf. Disp. Sel. II

1036 v. Bonu-etseh, Die Prophetie im ap. u. nachap. Zeitalter, Zeits. f. k. Wiss. u. k.

Loben 1884 bl. 408 v. Zöckler, t. a. p. 71 v. Weiszacker, Das apost. Zeitalter, 584 v. Harnack, Mission und Ausbreituug I 277 v. Burger, art. in PRE3 XVI 105 108

Sluiten