Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tolisch woord, dat de grondslag der kerk blijft en in gemeenschap brengt met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus, 1 Joh. 1: 3. Zoodra de apostelen op verschillende plaatsen gemeenten hadden gesticht, stelden zij in die gemeenten ambten in, welke van het hunne wezenlijk verschilden en niet zonder medewerking van de cemeenten zelve tot stand kwamen. Er is een groot onderscheid tusschen de buitengewone ambten van apostelen, evangelisten en profeten, die tijdelijk voor de grondlegging der kerk werden ingesteld, en de gewone ambten van presbyters en diakenen, die onder apostolische leiding uit de kerken zelve opkwamen. Deze laatste ambten onderstellen de kerken, op dezelfde wijze als de regeering het volk onderstelt. Zij konden daarom niet rechtstreeks en onmiddellijk, gelijk het apostolisch ambt, door Christus worden ingesteld, maar konden eerst opkomen, toen de gemeenten gesticht waren en aan eene geregelde leiding behoefte kregen. Dit had al spoedig in de kerk van Jeruzalem plaats. Deze kreeg door den buitengewonen pinksterzegen spoedig eene zeer groote uitbreiding en was duizenden zielen sterk, Hd. 2 : 41, 47, 4 : 4, 21, 32, 5 :14, 6 :1. Dit maakte natuurlijk organisatie dringend noodig, welke ook onder leiding der

apostelen tot stand kwam.

Ten eerste werd deze gemeente van duizenden zielen, in weerwil van hare eenheid, op de eene of andere wijze ingedeeld. Zij kon n.1. niet in één gebouw samenkomen, maar moest bij gedeelten in private woningen vergaderen. Zonder twijfel ontstonden in Jeruzalem de eerste huisgemeenten, gelijk wij die ook elders in den apostolischen tijd aantreffen 1). Immers lezen wij, dat de geloovigen niet alleen in den tempel, maar ook xaz' oixov (niet: van huis tot huis, maar: te huis, in verschillende huizen) vergaderden, Hd. 2 :46, 5:42, o.a. in het huis van Maria en van Jacobus, Hd. 12:12, 17. Opdat alles eerlijk en met orde geschieden zou, was er voor de vergaderingen allerlei regeling van noode; en misschien heeft daarbij het voorbeeld der Joodsche synagogen met hare oudsten, beambten en dienaren en ook met haar Schriftlectuur, prediking, gebed en zegen eenigen, hoewel zeker niet zeer sterken invloed gehad 2). Op zulk eene regeling wijst reeds de benaming van ot vtiorsQoi, die in Hd. 5:6, 10 voorkomt; het artikel duidt aan, dat de jongere leden der

x) boven bl. 301.

2) Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes iin Zeitalter Jesu Christi II3 437—459 Sillevis Smitt, De organisatie v. d. Chr. kerk bl. 68 v.

Sluiten