Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gemeente, evenals de vnrjQerai, Luk. 4:20 in de synagogen, de vanzelf aangewezenen waren, om eenige ondergeschikte diensten te verrichten. Niet onwaarschijnlijk is, dat zij als zoodanig tegen de oudere leden der gemeente, 01 ngeafivTSQot, overstonden. Onder Israël waren de ouden van dagen om hun grijsheid en wijsheid geëerd. Uit hun midden werden de regeeringspersonen der burgerlijke gemeente en in later tijd ook de verzorgers en opzieners der synagogen benoemd. Zoo waren er ook van huis uit oudsten in de Christelijke gemeente, dat is mannen en vrouwen, die niet alleen ouder waren in leeftijd, maar die Jezus persoonlijk hadden gekend of ontmoet, die zijne woorden hadden gehoord en van zijne wonderen getuigen waren geweest, die reeds vóór den Pinksterdag Hem als den Messias hadden beleden of misschien wel tot de zeventigen hadden behoord, door Jezus uitgezonden naar de steden en vlekken van 1 alestina, Luk. 10: 1, en die om dit alles gansch natuurlijk in hooge achting stonden bij hen, welke later tot de gemeente werden toegedaan. Zij bekleedden geen ambt, maar namen toch door hunne kennis en godzaligheid eene aanzienlijke plaats in de gemeente van Christus in.

Tusschen nQtafivzsQoi en èniaxonoi dient daarom onderscheiden te worden. Bewijzen daarvoor zijn : 1° dat de naam ter aanduiding van het opzienersambt, langzamerhand door dien van sjTicxonoi; nader omschreven en vervangen wordt, Hd. 20:28 Phil. 1:1, 1 Tim. 3:2, Tit. 1:7, 1 Petr. 2:25; 2° dat Paulus^ na in 1 Tim. 3 over de ambten gesproken te hebben, toch nog in 1 Tim. 5 de houding aanwijst, welke Timotheus tegenover verschillende gemeenteleden, ouderen en jongeren, mannen en vrouwen, heeft aan te nemen, cf. 1 Petr. 5:5; 3° dat de apostolische vaders '), duidelijk spreken van een stand van oudsten, die naast de eigenlijke ambtsdragers in de gemeente voortbestaat en op eerbiedige gehoorzaamheid aanspraak heeft; en dat 4° de bekende tekst, 1 Tim. 5 :17, zonder deze onderscheiding aan te nemen, gelijk straks blijken zal, geen goeden zin oplevert, Waarschijnlijk hebben wij het ons dus zoo voor te stellen, dat de twaalf apostelen het werk in de groote gemeente te Jeruzalem lang niet konden afdoen, en daarom al spoedig, evenals van de vswtsqoi voor lagere diensten, zoo van sommigen der TTQeafivTSQoi voor hoogere diensten in de gemeente gebruik maakten. Wanneer en hoe dit geschied is, wordt ons in de Hande-

) Clemens, 1 Cor. 1, 3. 3, 3. 21, 6. 47, 6. 57, 1. 63, 3,4. Hermas, Vis. II4. III1. Geref. Dogmatiek IV.

Sluiten