Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

monarchisch episcopaat zich in het Oosten zeer spoedig ontwikkeld ; de brieven van Ignatius, bisschop van Antiochië, onder Trajanus ongeveer 110—115 als martelaar te Rome gestorven, zijn daarvoor een onwraakbaar getuige, en zouden dat zelfs in geval van onechtheid blijven, wijl zij dan toch niet jonger kunnen zijn dan de jaren 130—140. Ignatius spreekt herhaaldelijk, tot 13 malen toe, van episcopi, presbyteri en diakenen als van drie onderscheidene ambtsdragers; hij ziet in den episcopus een gezondene van Christus, eene /ccQig &sov, eene gelijkenis van God of van Christus J), en dringt er onophoudelijk in het belang van de eenheid der kerk op aan, dat de leden der gemeente zich naar Gods gebod met den bisschop vereenigen, niets kerkelijks buiten hem doen, en alle ketterij en scheuring ten strengste vermijden.

Toch staat de bisschoppelijke idee bij Ignatius nog maar aan het begin van hare ontwikkeling; de bisschop is geen drager der traditie, geen priester des N. Testaments, geen opvolger der apostelen, hij wordt altijd omgeven door den raad van presbyters en diakenen, gelijk Christus door zijne apostelen, hij draagt een ambt in eene plaatselijke kerk en heeft daarbuiten geen gezag. In de gemeenten van Klein-Azië stonden in Paulus' dagen Hd. 14: 23, 20:17, Phil. 1:1, Tit. 1:5 en ook later nog 2), niet een maar onderscheidene episcopi aan het hoofd. Volgens 1 Tim. 4:14 vormden zij samen reeds een college, een presbyterium. En één onder hen trad volgens Op. 1:20v. zoo op den voorgrond, dat hij als ayysXog aangeduid en als vertegenwoordiger der gansche gemeente beschouwd kon worden3). "Waarschijnlijk sloot de ontwikkeling van het monarchisch episcopaat zich daarbij aan. De presbyter, die met de leiding van de vergaderingen en misschien ook in onderscheiding van alle ambtgenooten alleen met den dienst des woords was belast, werd allengs als drager van een bijzonder ambt beschouwd. Hij alleen was episcopus, terwijl alle andere slechts presbyters waren. Op deze wijze zou ook te verklaren zijn, dat Ignatius het monarchisch episcopaat reeds als lang bestaande onderstelt, dat Clemens Alexandrinus van Johannes spreekt als otiov fisv imaxonovs xcecuait.aoiv 4), en dat dit

') Ignatius, Ef. 6. Magn. 2. 7. Trall. 2. 3. Smyrn. 8.

2) Clemens, 1 Cor. 42, 4. 44, 2, 4, 6.

') \ erg. de hooge positie, welke Jakobus, de broeder des Heeren, in de gemeente te Jeruzalem innam, Hd. 12:17, 15:13, 21 :18, Gal. 1 :19, 2:9. 4) Bij Euscbius, Hist. eccl. III 23, 6.

Sluiten