Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

sproken. Rome beroept zich wel, behalve op de convenientia, op het 0. T. priesterschap, op de ambten, welke Christus in zijne kerk ingesteld heeft, en op de macht, welke Hij daaraan toebetrouwd heeft. Maar dit bewijst niet hetgeen bewezen moet worden. De Schrift maakt zeer zeker onderscheid tusschen herders en kudde, bouwers en tempel, planters en akkerwerk, leeraars en discipelen, voorgangers en volgelingen enz.; indien met de namen clerus en leeken geen andere dan deze onderscheiding bedoeld werd, zouden zij zonder schade gebruikt kunnen. Maar het gebruik heeft er een gansch anderen zin aan gehecht. Clerus is in de Roomsche kerk de naam geworden van eene bijzondere klasse van kerkelijke personen, die door tonsuur en wijding van alle anderen afgezonderd zijn, een eigen stand van „geestelijken" vormen, in gansch bijzonderen zin het eigendom Gods zijn, met eene volstrekte souvereine macht over het volk zijn toegerust, en voor de leeken tot noodzakelijke en onmisbare middelaars des heils verstrekken J). Zulk een stand nu kent de Schrift niet. Zelfs op het Oude Testament is de tegenstelling van clerus en leeken niet toepasselijk; het gansche volk was clerus, eigendom en erve des Heeren, een priesterlijk koninkrijk, een heilig volk, Ex. 19:5, 6, Deut. 7:6, 14:2, 26:18, 32 :9, 1 Kon. 8:51, 53, Ps. 135:4, Jes. 19:25, 41:8, Jer. 12:7, 8, Joel 2:17 enz. ; de priesterschap, die niet benoemd, maar krachtens afstamming uit Aaron tot dezen dienst geroepen werd, was toch ten strengste aan de wet Gods gebonden, Lev. 10:11, en aan het oordeel der profeten onderworpen, Jes. 28 : 7, Jer. 1:18, 2 : 26, 6 : 13, Ezech. 22 . 26, Hos. 4 : 9 enz.; Israël was eene theocratie, doch geene hierarchie. Veel minder is er nog in het N. T. van een clerus sprake: de Heilige Geest is op allen uitgestort, Hd. 2 :17, en nu zijn allen nvevixaxixoi, Rom. 8 :14, 1 Cor. 2 :15, 3 :1, Gal. 5 : 25, 6:1, de zalving deelachtig, 1 Joh. 2 : 27, een koninklijk priesterdom, lJPetr. 2:5, 9, eene gemeente van heiligen en geroepenen, Rom. 1:7, een volk en eigendom Gods, 2 Cor. 6 :16, 1 Petr. 2 .10, Hebr. 1- . 22—24. Nergens maakt het N. T. gewag van een bijzonder priesterambt, door de dienaren der kerk waar te nemen, of van eene bijzondere offerande, door hen te offeren; het ambt in de kerk van Christus is geen magisterium, maar een ministerium, geen Isqccqxicc maar een leooóov/.sia, een óiaxovia, ulxovoiua, welke alle heerschappij over het erfdeel des Heeren (twv xfojqwv, 1 Petr. 5:3, d.i. de aan

i) Catech. Kom. II 7, 13.

Sluiten