Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als eene onzuivere belijdenis ook de regeering vervalscht, gaat er van eene slechte regeering een bedervende invloed op de belijdenis uit. 4°. Christus heeft daarom aan zijne gemeente eene eigene regeering geschonken. Hij riep, bekwaamde en ordende zelf de apostelen, die het fundament der kerk zijn. En deze apostelen hebben op hun beurt onder zijne leiding de gewone ambten van opzieners en diakenen ingesteld, opdat de gemeenten van Christus in hunne afwezigheid en na hun dood niet van regeering verstoken zouden zijn. Ook deze gewone ambten hebben hun oorsprong in God, Hd.' 20:28, 1 Cor. 12:28, Ef. 4:11, en zijn niet in den apostolischen tijd geëindigd maar zijn daartoe ingesteld, dat zij blijven zouden tot het einde van deze bedeeling, Hd. 14:23, 1 Tim. 3, Tit, 1:5. De Schrift is geen kerkenorde, maar zij bevat toch beginselen van kerkregeering, welke niet zonder schade voor het geestelijk leven veronachtzaamd kunnen worden. 5°. Daarom is het ook niet goed te zeggen, dat de gemeente van Christus zelve zie n'aar den eisch der omstandigheden eene regeering kan geven oi deze stilzwijgend of opzettelijk aan de Christelijke overheid opdragen kan. Want ofschoon in zekeren zin gezegd kan worden, dat e gemeente zelve zich hare regeering geeft en het instituut der ker opricht, wijl de apostelen bij het instellen der gewone ambten de gemeenten raadpleegden en dezen de personen voor die ambten aanwezen, toch is dat slechts in zekeren zin het geval. Het is altijd Christus, die tot de ambten roept en bekwaamt; de gemeen en kunnen en mogen de personen aanwijzen, maar zij zijn daarbij met zelfstandig en autonoom doch gebonden aan de inzettingen des Heeren; zij mogen bij de oprichting van het instituut niet willekeurig en naar eigen inzicht te werk gaan, maar hebben ook daarin te vragen, wat de Heere wil dat zij doen zullen. Daarom staat het ook niet vrij aan de gemeenten, om de ambten af te schaften of de regeering aan de Christelijke overheid op te dragen. Want al is het waar, dat er onder eene Christelijke overheid en in eene Christelijke maatschappij hoe langer hoe meer overeenstemming en samenwerking met de kerk zal komen in den maatstaf m de eoordeeling en in de handhaving van leer en leven, toch blijft oo

dan nog de taak van kerk en staat wezenlijk onderscheiden. Dezelfde

zonde wordt anders in de kerk dan in den staat gestraft; de tucht, welke gene oefent, verschilt hemelsbreed van de straf, welke < eze oplegt. De verzorging der armen, het opzicht over de kudde de bediening van woord en sacrament, de roeping en verkiezing der die-

Sluiten