Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

als eene eenheid worden saamgevat. Maar dat nam toch met weg, dat die gemeenten bij hare vergaderingen in verschillende gebouwen samenkwamen en zoo weer onderscheidene huisgemeenten vormden. En daartoe moet alle kerk komen, die tot een ledental van duizenden zielen zich uitbreidt. Gelijk het dan geoorloofd en plichtmatig is, om in verschillende gebouwen saam te komen, zoo is het ook in' het belang van den geestelijken welstand, de regeering en de verzorging der geloovigen geboden, om aan elke groep van geloovigen, die in een bepaald gebouw vergadert, een bepaald getal predikanten, ouderlingen en diakenen te verbinden. Aan de eenheid der kerk behoeft dit geene afbreuk te doen, wijl die zich in den kerkeraad en in allerlei gemeenschappelijken arbeid uitspreken kan. Er is echter ook geen bezwaar tegen, om kerken, die ver uiteenliggende stadsgedeelten tot haar terrein hebben, op dezelfde wijze zelfstandig te maken als die op dorpen, welke soms maar een half nur gaans van elkander verwijderd zijn. Bij de groote uitbreiding van vele steden in den tegenwoordigen tijd zijn de stadsgedeelten dikwerf meer in karakter van elkander verschillend, dan dorpen of vlekken, die alle burgerlijk een eigen bestuur hebben. In elk geval is de theorie onhoudbaar en voor het kerkelijk leven hoogst schadelijk, dat de plaatselijke kerk in groote steden naar de burgerlijke

grenzen te bepalen zou zijn J).

In deze plaatselijke kerken stort Christus allerlei gaven uit, met alleen zaligmakende gaven van wedergeboorte, bekeering, geloof enz., maar ook geestelijke gaven, die onder den naam van charismata bekend staan. In den apostolischen tijd was er eene rijke bedeeling van; maar al zijn zij ten deele van aard en werkzaamheid veranderd, zij worden ook thans nog door den H. Geest aan de geloovigen geschonken, opdat zij daarmede elkander dienen en als één lichaam zich openbaren zouden. De gemeente is met onmondig, zij is geen ecclesia audiens of ordo oeconomicus, die slechts te luisteren en te zwijgen heeft. Maar zij is de zalving van den Heilige deelachtig, bestaat uit vele leden, die alle elkander van noode hebben, en mag de gaven, haar geschonken, niet verzuimen. Elke gemeente is en moet zijn een leger des heils, dat onder Christus strijdt voert tegen duivel, wereld en vleesch, en geen soldaten kent in rust of op nonactiviteit; eene gemeenschap van heiligen, waarin

i) J. R. Slotemaker de Bruine, St. v. W. en Vrede 1901 bl. 487—498. Id„ Christ Soc. Studiën. H. H. Kuyper, Stadskerken, Heraut, Mei, Juni 1909. Sillevis Smitt, t. a. p. bl. 113 v.

Sluiten