Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te volbrengen. Zij zijn het zout der aarde, het licht der wereld «n hebben in en ten opzichte van de kerk bepaaldelijk een drieërlei taak.

Ten eerste zijn zij verplicht, zich bij de kerk te voegen. Zij staan niet op zichzelf, maar zijn leden van het lichaam van Christus en hebben dus de gemeenschap daarmede te zoeken en te onderhouden. Ten andere zijn zij in die gemeente geroepen tot allerlei werkzaamheid, tot het aanleggen der gaven ten nutte van anderen, tot het mede lijden en zich verblijden met de broederen, tot het bezoeken van de samenkomsten der geloovigen, tot het verkondigen van 's Heeren dood, tot het opzicht hebben op elkander, tot het dienen en uitdeelen in barmhartigheid enz. En eindelijk zijn zij elk op zijne wijze en in zijne mate ook tot formatie en reformatie der kerk verplicht. Als er ergens ter wereld geloovigen zijn, en er bestaat geen gelegenheid, dat dienaren van elders de verkiezing tot de door Christus ingestelde ambten leiden en den verkozenen de handen opleggen, dan hebben zij zeiven het recht, om samen in den naam des Heeren ambtsdragers te verkiezen en te ordenen. Zoo geschiedde feitelijk te Mainz en te Parijs in 1555 *), zoo oordeelden de Gereformeerden 2), en dit was ook het gevoelen van Luther 8). Het ambt hangt toch van geene successie af, het ontstaat niet door overdracht; het berust op de gave en de roeping van Christus en op de aanwijzing zijner gemeente. En die gemeente is zelve mondig en de gaven des H. Geestes deelachtig; de gaven, tot het ambt van noode, zijn niet essentiëel verschillend van die, welke aan alle geloovigen geschonken worden; daarom kan zij uit haar midden diegenen aanwijzen, die in bijzondere mate met ambtelijke gaven versierd zijn en hen in Christus1 naam roepen en verkiezen tot het ambt. Maar daaruit vloeit ook voort, dat de geloovigen zeiven desnoodig tot reformatie der kerk mogen voortschrijden. Als eene kerk in hare ambten en bedieningen toont, zichzelve en hare ordinantiën meer autoriteit toe te kennen dan den woorde Gods en zich duidelijk als eene valsche kerk openbaart, dan hebben de geloovigen het heilige officie en den schuldigen plicht, om zich af te scheiden en wederom kerkelijk te gaan leven naar des Heeren woord *).

1) Lechler, Gesch. d. Syn. u. Presb. Verfassuug 1854 bl. 65, 67. Doumergue,

Jean Calvin I 1899 bl. 232.

2) Yoetius, Desp. Causa Papatus bl. 268 v.

3) Köstlin, Luthers Theol. I 327.

4) Nederl. Geloofsbel. art. 28, 29.

Sluiten