Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

over vocatie, examinatie en ordinatie. Sedert de roeping niet meer, gelijk tot profeten en apostelen, op buitengewone wijze tot iemand komt, is zij alleen kenbaar aan de samenstemming der in- en der uitwendige roeping. De inwendige roeping, welke dus van de bovennatuurlijke en buitengewone wel te onderscheiden is, bestaat 1° in de verleening der gaven, die tot het ambt vereischt worden, 2° in de zuivere, oprechte en standvastige begeerte, die iemand naar het ambt doet streven, en 3° in de baning der wegen, welke tot het ambt leiden x). Deze inwendige, subjectieve roeping moet haar waarmerk en zegel ontvangen in de uitwendige roeping door de gemeente, wijl ook op dit terrein dwaling en verleiding niet uitgesloten is 2). Daarom staat deze uitwendige roeping niet tegenover de inwendige, maar zij gaat evengoed als deze van Christus uit. Hij alleen kan roepen en roept in der waarheid. Deze uitwendige roeping is echter middellijk en geschiedt door de gemeente in Jezus' naam. De Schrift laat hier geen twijfel over, Hd. 1: 23, 6 : 2—6, 2 Cor. 8 :19 3). In de eerste eeuwen oefende de gemeente dit recht ook feitelijk uit; zelfs de bisschop werd door de gemeente gekozen 4). De verkiezing van den paus, den bisschop van Rome, door de kardinalen, d. i. oorspronkelijk het presbyterie der plaatselijke gemeente aldaar, is nog een overblijfsel van het vroeger gebruik. Maar langzamerhand werd het recht der gemeente beperkt en ten laatste in de Roomsche hierarchie aan den paus, en onder invloed van het humanistisch staatsrecht door Erastianen en Remonstranten aan de overheid toegekend. Zelfs in de Gereformeerde kerken was hierover groot verschil. Al hield men in theorie staande, dat het recht tot beroeping van dienaren des woords bij de gemeente berustte, practisch werd dit dikwerf zeer beperkt en aan den kerkeraad of aan patronen of aan de overheid of aan gemengde colleges afgestaan 5). Aan de andere zijde is echter ook de dwaling van G-rotius, Pufendorf e.a. te vermijden, alsof de keuze der kerkedienaren een natuurrecht van

1) Gerhard, Loc. XXIII cap. 3. Voetius, Pol. Eccl. III 529. Alting, Theol. probl. nova I 15. Brakel, Eed. Godsd. XVII 12. Vitringa, Doctr. IX 298. De Moor, Comm. VI 282.

2) Nederl. Geloofsbel. art. 31.

3) Verg. boven bi. 374.

4) Sohm, Kirchenrecht 59, 229, 271, 275, 282, 285, Aehelis, Lehrb. d. prakt. Theol. I2 bl. 147 en oudere litt. bij Vitringa IX 308—310.

^ s) Calvijn, Inst. IV 3, 11-15. Voetius, Pol. Eccl. III 557 v. 580 v. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 24. M. Vitringa, IX 311—321. De Moor, VI 288-298.

Sluiten