Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kerk later gebruik ging maken, om vóór de aanvaarding van het ambt een proeftijd te stellen of ook een examen af te nemen'). Hier te lande stonden de Geref. kerken, nadat de universiteit te Leiden .was opgericht, het recht tot afneming van het (peremptoir) examen aan de professoren af en vergenoegden zich met hun testimonium academicum2). Maar langzamerhand wisten zij overal, behalve in Groningen, het recht, om het peremptoir en het praeparatoir examen af te nemen, met groote moeite en niet zonder veel tegenstand, zelfs van Voetius en Maccovius, aan de professoren te ontnemen en voor zichzelve te behouden. Daargelaten de vraao-, of de kerken niet goed zouden doen, als zij bij het afnemen der examina in de classes zich van de hulp der professoren bedienden, het recht tot het instellen van zulk een onderzoek komt naar de H. Schrift, de Geref. belijdenis en ook naar den aard der zaak aan de kerken toe. De school neme hare examens af, maar de kerken houden het recht, om te beroepen, om te beproeven, om te zenden, om macht te geven tot bediening van woord en sacrament. Het eigenlijke, kerkelijke examen is daarom het peremptoir examen; het praeparatoir is, ofschoon reeds vermeld in art. 18 van de synode te 's Gravenhage, van ondergeschikte beteekenis, werd eerst langzamerhand ingevoerd vooral ten gevolge van de Remonstrantsche twisten, en was volgens Voetius1 getuigenis 3) eerst in 1669 algemeen in gebruik. Het diende alleen, om de voorloopig geëxamineerden een tijd lang in het houden van propositiën onder leiding van een predikant en kerkeraad zich te laten oefenen.

Bij de vocatie en examinatie komt ten slotte nog de ordinatie, die vooral door de handoplegging geschiedt. Deze was onder Israël in gebruik bij zegening, Gen. 48:14, Lev. 9:22, offerande, Ex. 29 :10, Lev. 1: 4, beschuldiging, Lev. 24:14, bij Levietenwijding, Num. 8:10, bij aanstelling tot een ambt, Num. 27:18—23, later ook bij installatie van rechters en promotie van leeraars 4). Jezus legde de handen op, om te genezen, Mt. 8:15, 9:18, Mk. 5: 23 cf. 2 Kon. 4:34, 5:11, en te zegenen, Mt. 19:15, (Luk. 24:50), en het volk hechtte daaraan groote waarde, Mt. 9: 18, Mk. 5 :23, 7 :32, maar nergens lezen wij, dat Hij alzoo ook deed bij de aan-

Bingham, Origines eccles. or the antiquities of Chr. Church. London 1843 II 225. *) Syn. Middelb. vr. 3 's Grav. art. 18.

' Voetius, Pol. Eccl. III 217. Verg. De Moor, Comm. VI*303—305.

4) Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes II3 199.

Geref. Dogmatiek IV. 07

Sluiten