Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

opgevat als symbolisch teeken van de meedeeling der ambtsgave. Manus impositio, quid est aliud nisi oratio super hominem? x) Maar allengs werd zij beschouwd als een sacrament, dat ex opere operato een character indelebilis aanbracht 2). De Lutherschen verwierpen ze eerst, maar namen ze later weer op en kenden er soms groote waarde aan toe 3). De Gereformeerden oordeelden eenparig, dat de handoplegging geen bevel van Christus en dus niet volstrekt noodzakelijk was. Maar terwijl sommigen haar nuttig, eerbiedwaardig en navolgenswaard achtten *), hielden anderen haar voor een adiaphoron en ontrieden haar gebruik uit vrees voor superstitie 5). Een wezenlijk element van de ordening is zij niet, want noch bij Jezus zelf, noch bij de apostelen, noch ook bij de ouderlingen, Hd. 14 : 23, 20:28, wordt er eenige melding van gemaakt. Ook kan en mag zij niet opgevat worden als mechanische mededeeling van een bijzonderen ambtsgeest. Want zij schenkt niet doch onderstelt naar de Schrift de voor het ambt vereischte charismata. Zij is ook niet met de verkiezing of roeping tot het ambt identisch, maar volgt daarop en kan daarom niet anders zijn dan eene openbare aanwijzing van dengene, die tot een ambt geroepen is, en eene plechtige inleiding en bestemming tot dat ambt. Evenals het trouwen voor de overheid het wezen van het huwelijk niet is en de kroning den koning niet maakt, zoo is ook de ordinatio, met of zonder handoplegging, geen mededeeling van het ambt of van een ambtsgeest. Zij is alleen de plechtige, openlijke verklaring voor God en zijne gemeente, dat de geroepene langs wettigen weg en mitsdien van Godswege gezonden wordt, dat hij de vereischte gaven bezit en als zoodanig door de gemeente ontvangen, erkend en geëerd moet worden0).

506. Over het aantal ambten, dat Christus in zijne gemeente

1) Augustinus, de bapt. 3, 16.

2) Conc. Trid. 23 c. 7. de ref. c. 3. 10. Cat. Rom. II 7, 29. Bellarminus, de ■clericis I 14.

3) Apol. Conf. art. 13.

4) Calvtjn, Inst. IV 3, 16. 14, 20. 19, 31., en zoo ook Aretiua, Spanheim, Koelman e. a.

5) Syn. Emden art. 16. Dordr. 1574 art. 24. Midd. 1581 art. 5. Yoetius, Pol. Eccl. III 452. 579. De Moor, V 352—347, VI 327-331. M. Vitringa, IX 209. 353—357.

*) Verg. Sohm, Kirchenrecht 56 v. Zahn, Einl. in das N. T. I 465. Achelis, Lehrb. •der prakt. Theol. Leipzig 1898 I 139—173. Cremer, art. Handauflegung in PRE3 VII 387—389 en Gaspari, over de ordinatie van Geistlichen, ib. VI 471.

Sluiten