Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

scheiding van diakenen in die voor armen en voor kranken door Calvijn wel ingevoerd 1), maar slechts zeldeu overgenomen2), en door anderen het ambt van diakonessen hersteld3), en ook was volgens sommigen in Hd. 6 niet de instelling van het diakonaat bericht en dit ambt daarom niet van Goddelijken oorsprong 4). En eindelijk was er nog verschil over de wijze van verkiezing, over het bekleeden van een ambt zonder een bepaalden dienst in de gemeente 5), over het nut der handoplegging, zoowel in het algemeen als vooral bij de bevestiging van ouderlingen en diakenen 6), over de herhaling van de bevestiging bij herbenoeming van ouderlingen en diakenen 7), over den duur van het ouderlingschap 8), enz. De behandeling van al deze onderwerpen hoort in het kerkrecht thuis. Maar zooveel mag veilig gezegd, dat de Gereformeerden, door de herstelling van het ouderlingen- en het diakenambt naast dat van den dienaar des woords, het zuiverst de gedachte der Schrift hebben gegrepen en het krachtigst de rechten der gemeente hebben erkend. Over de kerk is Christus alleen koning; hare regeering is in het onzichtbare strikt monarchaal. En koning was Hij niet alleen in het verleden, maar Hij is het nog. Van uit den hemel regeert Hij zijne gemeente op aarde door zijn Woord en zijn Geest, door zijne profetische, priesterlijke en koninklijke werkzaamheid. Deze drie ambten zet Hij op aarde voort, niet uitsluitend maar toch ook door middel van de ambten, die Hij ingesteld heeft. In het zichtbare is zijne regeering niet democratisch noch monarchaal noch oligarchisch, maar aristocratisch-presbyteraal. Het zijn de uokjioi, de besten, niet in geld en goed doch in geestelijke gaven, die Hij zelf bekwaamt en door de gemeente voor zijnen dienst aanwijzen laat. Door hen zorgt Hij voor de geestelijke en voor de stoffelijke belangen van zijne gemeente. Door het leeraarsambt onderwijst Hij, door het ouderlingenambt leidt Hij, door het diakenambt verzorgt Hij zijne kudde; en door alle drie bewijst Hij zich te zijn onze hoogste profeet, onze eeuwige koning en onze barmhartige hoogepriester.

') Calvijn, Inst. IV 3, 9.

2) Zanchius, Op. IV 767. Syn. Wezel c. 5.

3) Junius, Op. I 1567. Walaeus, Op. I 466. Voetius, Pol. Eccl. II 508 v. 529.

4) Cappellus en anderen bij M. Vitringa, Doctr. IX 277 v.

5) Heidegger, Corpus Theol. II 571.

6) Voetius, Pol. Eccl. III 466.

") De Moor, Comm. VI 329. M. Vitringa, Doctr. IX 361 8) Butgers, Heraut n. 944—948.

Sluiten