Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

chalen regeeringsvorm was er onderscheid tusschen burgerlijke en godsdienstige belangen, tusschen Mozes en Aaron, tusschen schrijvers, en richters, E-nsc, ter eene, en priesters en levieten

ter andere zijde. Alleen in het opperste gerechtshof, dat te Jeruzalem gevestigd was en over zeer moeilijke gevallen te oordeelen had, hadden ook priesters zitting, Deut. 17 :8—13, 19: 17, 18. Onjuist is het daarom, te zeggen, dat onder Israël kerk en staat één waren. Beide waren in wetten, instellingen, ambten, ambtsdragers, en ten deele zelfs in leden duidelijk van elkaar onderscheiden l). De priesters moesten dienen in den tempel, met de offeranden des volks tot God naderen, aan het volk Gods genade en zegen uitdeelen, en het onderwijzen in de wet, Lev. 9 . 22, 10. 11 21:8, Num. 6:22, 16:5, Ezech. 44:23, maar zij moesten ook voor zichzelf offeren, Lev. 9:7, 16:6, waren gebonden aan de wet, Deut. 33 :10, Jer. 18:18, en voor hun levensonderhoud van het volk afhankelijk, Lev. 23 :10, Num. 18: 8—32 enz. Ook hadden zij geen geheime leer of kunst, geen staatkundige of burgerlijke macht, geen hiërarchische heerschappij; een priesterstaat is Israël nooit geweest, de vrijheid des volks was op alle manier tegenover den priesterstand gewaarborgd. De profeten traden vrij op, hadden het woord Gods te verkondigen, moesten zonder sparen aan Israël zijne zonden bekend maken en volk en overheid Gods oordeelen aanzeggen, maar zij hadden geen andere macht dan de macht van het woord. Vreemdelingen konden door de besnijdenis Israël worden ingelijfd, Ex. 12 :48, en onreinen en melaatschen bleven burgers, ook al werden zij tijdelijk afgezonderd. Ondanks de scheuring had de godsdienstige eenheid des volks op zichzelve zeer goed kunnen blijven bestaan.

Maar het eigenaardige van Israels inrichting bestond nu daarin, dat al deze wetten, ambten en instellingen door God gegeven en gehandhaafd werden; Israël was eene theocratie; God was zijn wetgever, rechter en koning, Jes. 33 : 22. Er was daarom op geen enkel gebied in Israël plaats voor eene onafhankelijke souvereiniteit; ook de koning mocht geen despoot zijn, maar moest door God verkozen, uit het midden der broederen genomen en aan Gods wet gebonden worden, Deut. 17 : 14—20, 1 Sam. 10 : 25. Boven alle ambten, instellingen en personen stond de wet Gods, die heel hot leven van Israël regelde en door allen zonder onderscheid gehouden

!) Hoetlemaker, Kerk en Staat in Israël, Troffel en Zwaard 1898 bl. 208 237.

Sluiten