Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van woord en sacrament, Mt. 28:19, in de bepaling van wat in het koninkrijk der hemelen gelden zal, Mt. 16 :19, in het vergeven of honden der zonden, Joh. 20:20, in het oefenen van tucht over de leden der gemeente, Mt. 16:38, Rom. 16:17, 1 Cor. 5:4, 2 Thess. 8 : 6, Tit. 3 :10, 2 Joh. 10, 2 Tim. 2 :17, Hebr. 12 :15—17, Op. 2 : 14, in het onderscheiden aller dingen, 1 Cor. 2: 15, in het leeren, vertroosten, vermanen enz. der broederen, Col. 3 :16, in het aanleggen der gaven ten nutte van anderen, Rom. 12:4—8, 1 Cor. 12:12v., in het doen van wonderen, Mk. 16:17, 18 enz. Doch al deze macht is geestelijk, zedelijk van aard, wezenlijk onderscheiden van alle andere macht, welke God aan menschen over menschen of over andere schepselen in gezin, maatschappij, staat, kunst, wetenschap geschonken heeft, Jezus toch is niet anders opgetreden dan als Christus, als proleet, priester en koning; een ander ambt heeft Hij niet bekleed, eene andere betrekking heeft Hij niet waargenomen. Hij was geen huisvader, geen geleerde, geen kunstenaar, geen staatsman; Hij heeft alle ordinantiën en werken des Vaders geëerbiedigd en kwam alleen, om de werken des duivels te verbreken, 1 Joh. 3:8. Zijn koninkrijk had in deze wereld zijn oorsprong niet, Joh. 18 : 36. En daarom erkent Hij alle overheid, hoogepriester, sanhedrin, Herodes, Pilatus enz., betaalt Hij de belasting, Mt, 17 : 24, weigert scheidsrechter te wezen tusschen twee broeders, die twisten over eene erfenis, Luk. 12 :14, beveelt den keizer het zijne te geven, Mt. 22:21, bestraft Johannes, die vuur wil doen nederdalen van den hemel, Luk. 9 : 55, en Petrus, die Malchus het oor afhouwt, Joh. 18: 10, verbiedt dat zijne jongeren voor zijn naam en zaak strijden met het zwaard, Mt. 26 : 52. Het Evangelie van Christus bindt nooit den strijd tegen de natuur als zoodanig aan, het kwam niet om de wereld te veroordeelen maar te behouden, Joh. 3: 16, 17; het laat huisgezin, huwelijk, verhouding van ouders en kinderen, van heeren en dienstbaren, van overheid en volk onaangetast; het vindt niets verwerpelijk in zichzelve en alle schepsel goed, indien het met dankzegging genomen wordt en geheiligd door het woord van God en door het gebed, 1 Tim. 4:4; het laat een iegelijk blijven in de roeping, in welke hij geroepen werd, 1 Cor. 7 :12—24, 1 Thess. 4:11, leert de overheid eerbiedigen, Rom. 13 :1, 1 Tim. 2 :2, 1 Petr. 2 :13, en laat zelfs de slavernij bestaan, 1 Cor. 7 : 22, Philem. 11. Zelfs als het gebiedt, Gode meer te gehoorzamen dan den menschen, predikt het alleen lijdelijk verzet, Hd. 4 :19, 5 : 29. Maar desniettemin, schoon van alle revolutie afkeerig, is het des te meer op

Sluiten