Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bepalen, en in den naam van Christus niet conditioneel en declaratorisch maar absoluut, kategorisch en peremptoir de vergeving der zonden (absolutie) schenken1). Dit juridisch karakter der boete komt ook nog daarin uit, dat dit sacrament alleen mag bediend worden aan hen, die gedoopt zijn, wijl de kerk over niemand jurisdictie bezit dan wie door den doop onder haar macht staan; dat de geloovigen dit sacrament slechts mogen ontvangen uit de hand van dien priester, wiens subditi zij naar kerkelijke, d. i. pauselijke beschikking zijn; en dat hoogere geestelijken, bisschoppen enz. en vooral de paus, zich bepaalde, ergerlijke gevallen voorbehouden, waarin zij alleen oordeelen en beslissen kunnen, zooals bijv. bij de toepassing van ban en interdict over vorsten en landen in de Middeleeuwen door de pausen 2). 4° Om deze jurisdictie in foro interno te kunnen uitoefenen, beweert de Roomsche kerk voorts te bezitten de potestas jurisdictionis in foro externo (potestas regiminis), onderscheiden in potestas legislativa, judiciaria en coactiva. Christus gaf toch aan de kerk, opdat zij aan haar roeping getrouw kon zijn, vooreerst eene wetgevende macht; zij mag binden en ontbinden, verbieden of veroorloven, zedelijke verplichtingen opleggen of teniet doen; «n alwat zij bepaalt, is in den hemel van kracht; het is evengoed alsof God zelf het beveelt; het bindt daarom de gewetens en verplicht tot onvoorwaardelijke gehoorzaamheid, Mt. 16: 19, 18:18 Joh. 20 :21, 23. Hd. 15 : 27—29, 41, 1 Cor. 11: 4—7, 14: 26, 2 Cor.' 8, 10:6. 8, 1 Tim. 3, Tit. 1:5, Hebr. 13:7, 17. Deze'wetgevende macht sluit vanzelf de rechterlyke in, wijl gene zonder deze niet zou kunnen bestaan; Christus gaf deze macht aan de gemeente in

Mt. 18:15—17, en de apostelen oefenden haar uit, Hd. 5:1 10

1 Cor. 5 : 3, 11—13, 1 Tim. 5:19, 20. En eindelijk heeft de kerk ook eene uitvoerende en dwingende macht, en kan niet alleen geestelijke straffen opleggen, gelijk Donatisten, Waldenzen, Albigenzen enz. beweerden, maar ook tijdelijke en lichamelijke, en dat niet alleen op gezag of door middel van den staat, maar ook zelve uit ■eigen autoriteit en rechtstreeks. Rome grondt deze macht op Mt. 16:19, 18:18, 28:19, 1 Cor. 4:18-21, 5:4-5, 2 Cor. 10:6, 8^ 13: 2, 3, 1 Tim. 1: 20, heeft ze menigmaal uitdrukkelijk geleerd 3),

') Verg. boven bl. 145.

2) Conc. Trid. XIV. Cat. Rom. II 5, 32 v.

3) Denzinger, Enchir. symb. et defin. n. 1367. 1546. 1572. Conc. Vatic. coll. Lat'. VII 570. 577.

Geref. Dogmatiek IV. OQ

Sluiten