Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

511. Tegen deze ontaarding der kerkelijke macht kwam de Reformatie in verzet. Zij beleed weer, dat de kerk eene communio sanctorum was, en dat zij van Christus eene macht had ontvangen, welke van die in den staat wezenlijk onderscheiden was. Christi Reich is nicht ein leiblich oder weltlich, irdisch Regiment, wie andere Herren und Könige auf Erden regieren, sondern ein geistlich, himmlisch Regiment, das da gehet nicht iiber zeitlich Gut, noch was dies Leben betrifft, sondern iiber Herzen und Gewissen, wie man vor Gott leben soll, seine Gnade erlangen x). Evenzoo maakte Calvijn tusschen kerk en staat onderscheid als tusschen ziel en lichaam, het toekomstige en het tegenwoordige leven en schreef aan de kerk eigen ambten, macht en jurisdictie toe2). De macht der kerk bestond daarom niet in het corpus juris canonici, dat door Luther te Wittenberg den 10en December 1520 in het openbaar verbrand werd, maar enkel en alleen in de bediening van Gods woord. Wijl Christus het eenige hoofd der kerk is, kan en mag in de kerk alleen het woord Gods heerschen, niet door dwang, maar alleen door liefde en vrije gehoorzaamheid 3); de bediening van woord en sacrament is de eenige vorm van kSrkregiment, het inbegrip van alle kerkelijke macht, de gansche sleutelmacht, welke dan echter ook volgens de Lutherschen wettige roeping, gehoorzaamheid aan de opzieners, beoordeeling van leer en leven, oefening van tucht, uitsluiting der goddeloozen uit de gemeente enz. insloot4). Sohm heeft dit onderscheid in de macht, welke door Rome en door Luther aan de kerk toegekend wordt, helder in het licht gesteld. Daarbij gaat hij wel te ver, als hij, in de meening, dat alle recht dwang, menschelijke heerschappij en aardsche macht is, alle kerkrecht met het wezen der kerk in strijd acht. Maar toch toont hij duidelijk aan, dat het groote verschil over de macht der kerk tusschen Rome en het Protestantisme samenhangt met de politieke,

1) gij Sohm, Kirchenrecht bl. 464, 488. Verg. ook Köstlin, Luthers Theol. II 486 v. 553 v. P. Drews, Entsprach das Staatskirchentum dem Ideale Luthers? Tübingen 1908. Karl Muller, Kirche, Gemeinde und weltliche Obrigket nach Luther. Tiibingen 1910.

2) Calvijn, Inst. IV 1—11. Verg. Lobstein, die Ethik Oalvins 1877 bl. 115 v. Choisy, La théocratie a Genève au temps de Calvin 1898. G. Schulthess-Rechbergy Luther, Zwingli und Calvin in ihren Ansichten über das Verhaltnis von Staat u. Kirche. Aarau 1909.

3) Luther bij Sohm t. a. p. bl. 464, 468.

4) Conf. en Apol. Conf. Aug. art. 14, 20. Smalc. art. de potestate et primatu papae.

Sluiten