Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

juridische of de geestelijke, ethische opvatting van het Christendom. En hij erkent zelf menigmaal, dat de gemeente van Christus, ofschoon eene gemeenschap van heiligen, toch orde eischt, reeds in den eersten tijd zekere orde bezatx), en ook volgens Luther en de Lutherschen zonder ambt, wettige roeping, 'zielzorg, tucht, ban, regeering niet kan bestaan 2). Alle macht in de kerk is rechtstreeks of zijdelings bediening des woords; alle regeling, die zij maakt, is daaraan ondergeschikt en dienstbaar. Zoo verstonden het ook de Gereformeerden; alle macht in de kerk berust oorspronkelijk bij Christus, die door God is gezalfd tot koning over Sion, en draagt daarom een geestelijk karakter, want zijn koninkrijk is niet van deze wereld. Voor zoover Christus bij de uitoefening dier macht zich van organen bedient, zijn deze niet zelfstandig, onafhankelijk, souverein, maar aan Hem, d. i. aan zijn woord gebonden. Alle ambt in de gemeente van Christus is een óiuxoria, ministerium, zonder wetgevende, rechtsprekende en uitvoerende macht in zichzelf, maar alleen kunnende bedienen, wat in het woord van Christus vervat en opgesloten ligt. Feitelijk is er dus in de kerk geen andere macht dan de sleutelmacht, de bediening van woord en sacrament, die dan echter gewoonlijk wederom onderscheiden werd in potestas doctrinae, potestas disciplinae en potestas ordinis of regiminis 3).

Al was er zoo in de grondgedachten eenstemmigheid, toch kwam er bij de uitwerking en toepassing tusschen Lutherschen en Gereformeerden spoedig een belangrijk verschil voor den dag. Ten eerste nam Luther uit de Roomsche kerk de ambtelijke bediening van het woord aan den enkele over en was alzoo op handhaving der biecht gesteld. Ofschoon hij de prediking van het Evangelie opvatte als vergeving der zonden, also dass ein christlicher Prediger nimmer das Maul aufthun kann, er muss eine Absolution sprechen 4), toch was hem dit niet genoeg; de absolutie moest ook door den pastor individueel in de wel niet noodzakelijke, maar toch hoogst nuttige biecht worden toegepast 5). Maar deze private biecht stuitte op onoverkomelijke moeilijkheden, op het onvoldoend getal herders, op het biechtgeld, op de onzekere beteekenis der absolutie enz., en

') Solim, Kirchenrecht bl. 51 v.

2) t. a. p bl. 471, 476, 486, 494, 519 v.

3) Calvijn, Inst. IV c. 8—12. Martyr, Loei Comm. 405 v. Polanus, Synt. Theol. "VII 10 v. Junius, Theses theol. 46. Turretimcs, Theol. El. XVIII 29 v. enz.

4) Sohm, t. a. p. bl. 488.

5) Verg. reeds boven bl. 173, 178.

Sluiten