Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

is een rechtbank, de priester een rechter; na de beschuldigingen gehoord te hebben, die de biechteling tegen zichzelf inbrengt, spreekt hij het vonnis uit; hij bindt en ontbindt, niet deprecatief en conditioneel, maar krachtens den ambtsgeest, die in hem woont, peremptoir en absoluut; zooals hij oordeelt, oordeelt God in den hemel. Ten derde maakt Rome, d. i. de paus, aanspraak op de hoogste uitvoerende en dwingende macht. De onderscheiding van kerkelijke en burgerlijke straf heeft voor Rome geen waarde. Als de kerk het nuttig oordeelt en er toe in staat is, past zij evengoed de laatste als de eerste toe. Het is zoo, de doodstraf voltrok zij niet, want ecclesia non sitit sanguinem, maar overigens liet zij geen middel onbeproefd, om ongehoorzame kinderen te dwingen tot onderwerping. En Rome was vindingrijk. Geldstraf, boete, kerker, inquisitie, pijnbank, sluipmoord, ban, interdict, ontslag der onderdanen van gehoorzaamheid aan den vorst enz. hebben altemaal dienst gedaan. Dat was en is in beginsel nog de opvatting van de kerkelijke macht bij Rome 1).

De Hervormers hebben daartegenover ■ de potestas ecclesiastica weer in den zin der Schrift als eene geestelijke macht opgevat. Zoo kwam vanzelf de potestas docendi, de bediening van woord en sacrament op den voorgrond te staan. De Lutherschen lieten zelfs, althans in de practijk, heel de kerkelijke macht daarin opgaan; zij hadden alleen pastores, geen presbyters en diakenen. Maar de Gereformeerden herstelden ook deze ambten en namen daarom naast de potestas docendi nog de potestas jurisdictionis op. Het woord jurisdictio vond echter, hoewel Calvijn het overnam 2), geen algemeene goedkeuring. Coccejus verwierp het; Maresius zeide, dat er, zuiver en juist gesproken, geen jurisdictio in de kerk was en dat het woord op kerkelijk gebied slechts analogice mocht opgevat worden3); allen erkenden, dat de jurisdictio in de kerk van gansch anderen aard was dan in den staat en een geestelijk karakter droeg 4),

*) In den laatsten tijd is het recht, om ketters te straffen met den dood, weer openlijk door verschillende Roomsche geleerden uitgesproken en verdedigd, zooals door Luca, Lehrbuch des öffentl. Kirchenrechts 1901. Lépicier, De stabilitate et progressu dogmatis. Eoma 1910. Brors, Modernes ABC für das katholische Volk. Kevelaer z. j. Verg. Der Geisteskampf der Gegenwart 1910 bl. 157—158. De desbetreffende uitspraken van Lépicier worden letterlijk aangehaald in Foi et Yie, 1 Juillet 1910 bl. 393—396.

2) Calvijn, Inst. IV 11.

3) Maresius, Syst. Theol. XV 75 v. XVI 70.

*) Voetius, Pol. Eccl. IV 798.

Sluiten