Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

toebereid moet worden, om als een reine maagd aan haren man te worden voorgesteld. Er zijn kranken, stervenden, beproefden, bedroefden, bestredenen, aangevochtenen, twijfelenden, gevallenen, gevangenen enz., die leering en onderwijzing, vermaning en vertroosting van noode hebben. En afgezien zelfs hiervan, de gemeente behoort op te wassen in de kennis en genade van den Heere Jezus Christus; de kinderen moeten jongelingen, de jongelingen mannen, de mannen vaders worden in Christus, en hebben daartoe leiding «n verzorging van noode. Ook de leeraars zijn zwakke en zondige menschen en behooren onder opzicht te staan; indien de raad van ouderlingen en de vergadering van genabuurde kerken dit niet doet, wordt de gemeente een speelbal van den pastor of anders een superintendentuur of episcopaat noodzakelijk. In één woord, <le leeraars zaaien het woord, de ouderlingen zoeken de vrucht 1).

515. Tot de werkzaamheid der opzieners behoort in het bijzonder •ook de kerkelijke tucht, potestas disciplinae. Het Hebr. heeft voor tucht het woord "iDto, dat eigenlijk adstrictio, constrictio beteekent •en in het Grieksch door vovd-srrjfMa, ótóaoxahcc, vo/iog, aocpia vertaald en in het N. T. vooral door het woord naiêsia weergegeven wordt. Beide woorden geven evenals het .Ned. woord tucht, van tien, trekken, in het algemeen te kennen, dat iets, dat jong, teer, klein, zwak is, met zorg opgekweekt wordt. Wijl echter in het algemeen en vooral bij menschen deze opkweeking altijd tegelijk abnormale ontwikkeling tegen moet gaan, krijgt het woord tucht -de bijbeteekenis van terechtwijzing, kastijding, tuchtiging. Bijna nooit duiden de woorden alleen onderwijs, onderricht aan, cf. echter Hd. 7 : 32, 22:3, maar altijd zulk eene opvoeding en onderwijs, welke terechtwijzend en kastijdend optreden. Zoo voedt G-od zijne kinderen op, Hebr. 12 : 5—11, en Christus zijne gemeente. Op. 3 :19, -door middel van de Schrift, die nuttig is rroog didaGxaXiav, rroog

J) Zie voorts over het presbyteraat: Calvijn, lnst. IV 1, 22. 12, 2. Martyr, Loei bi. 392b. Zanchius, Op. IV 730. Bullinger, Huysboeck, Dec. 5 serm. 3. Junius, Op. I 1563. Bucanus, lnst. theol. 493. Mastricht, Theol. VII 2, 22. Voetius, Pol. Eccl. 111 436—479. VI 92—109. M. Vitringa IX 229. Renesse, Van het regeerouderlingschap 1659. Koelman, Ambt en pligt der ouderlingen 1765. Nieuwe werken van Th. Harnack, Prakt. Theol. II 281—350. Id., in Zöcklers Ilandb. der theol. Wiss. III 503—537. Achelis, Pragt. Theol. II 177—323. II. A. Köstlin, Die Lehre von der Seelsorge, Berlin 1895. Kuyper, Ene. III 524. Biesterveld, Het huisbezoek, Kampen 1900 enz.

Sluiten