Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

noch hem te eten vragen, niet vriendschappelijk en broederlijk met hem zullen verkeeren, maar dat zij, terwijl zij hen, die buiten zijn, aan Gods oordeel overlaten, zulk een booze, die in hun kring verkeert, uit hun midden zullen verwijderen, cf. 2 Cor. 2:5—10. Evenzoo spreekt Paulus elders van het recht en den plicht der gemeente, om acht te geven op en af te wijken, êxxXivsiv, van hen, die tweedracht en ergernis aanrichten, Rom. 16:17; om in Jezus' naam zich te onttrekken, af te scheiden, orellsa&cci arro, van iederen broeder, die ongeregeld wandelt, 2 Thess. 3:6,14; om na eerste en tweede, d. i. na herhaalde vermaning zich te onttrekken aan, niet in te laten met (nccQaiTeic&ai, zich door beden van iets of iemand afmaken, losmaken, ontslaan) een ketterschen mensch, die (als lid der gemeente, of ook misschien van buiten af) in de gemeente de eenheid des geloofs verbreekt, Tit. 3 : 10. Hetzelfde zegt Johannes; als iemand tot u komt en deze leer niet brengt, dan moogt gij hem niet ontvangen in uw huis als een broeder, niet vriendschappelijk en broederlijk met hem omgaan, en hem niet als een broeder begroeten en verwelkomen, 2 Joh. 10. En eindelijk wordt in Op. 2 : 2 de gemeente van Efeze geprezen, omdat zij de boozen niet verdraagt; in Op. 2 : 14, 20, 24 die van Pergamus en Thyatire berispt, wijl zij kettersche leeringen en heidensche gruwelen dulden 1).

Deze leer der H. Schrift is het zuiverst in de tuchtoefening der Gereformeerde kerken toegepast. Volgens haar toch zijn 1° geen onpersoonlijke dingen, geschriften, gebouwen, landen, maar altijd personen het object; en geen menschen in het algemeen, want die buiten zijn, oordeelt God, 1 Cor. 5:10, geen gestorvenen, geen klasse of groep van menschen, maar altijd bepaalde, individueele personen, die of alleen door doop, of ook door belijdenis leden der gemeente zijn. 2° Oorzaak der tucht zijn niet allerlei zwakheden, die in geloovigen vallen, ook niet zulke schrikkelijke zonden, welke de Christelijke overheid straft, hoewel de kerk dan volgt en haar tucht niet overbodig is 2), maar zulke zonden, die in het midden der gemeente ergernis wekken en door de overheid niet of zeer zacht worden gestraft 3). 3° Bij deze zonden, op welke de kerkelijke tucht van toepassing is, moet tusschen verborgene en openbare zonden onderscheiden worden. De

Meyer, Die Lehre des N. T. von der Kirchenzueht, Zeits. f. kirchl. Wiss. u. kirchl. Leben 1881.

2) Calvijn, Inst. IV 11, 3.

3) Mastricht, Theol. VII 6, 8.

Geref. Dogmatiek IV. qn

Sluiten