Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

soortige of hoogere, maar alleen door meerdere macht, die er samengebracht wordt en over wijder gebied zich uitstrekt. 9° Het gezag van alle kerkelijke vergaderingen is geen ander dan van de kerken zelve; het is onderworpen aan het Woord van Christus. Christus is de eenige, die in de kerken en in hare verschillende vergaderingen gezag heeft; zijn Woord alleen beslist; wat den H. Geest in en door de leden goeddunkt, dat alleen is bondig in de kerk van Christus. Maar ook deze hare naar Gods Woord en in den H. Geest genomen besluiten kan de kerk niet anders handhaven dan door zedelijke middelen. Zij heeft geen heerschende, dwingende maar alleen eene dienende macht1).

518. Zoo staat de kerk met eigen oorsprong, wezen, werkzaamheid en doel in het midden der wereld. Zij is in elk opzicht van die wereld onderscheiden, maar staat er toch nooit gescheiden naast. Wel hebben verschillende richtingen in de Christenheid kerk en wereld in een volstrekte, ethische tegenstelling tegenover elkander geplaatst, en schepping en herschepping met zonde en genade vereenzelvigd. Maar deze richtingen, hoe machtig zij nu en dan ook geweest zijn, hebben toch nooit de geschiedenis van het Christendom beheerscht, en konden altijd slechts naast de kerken een sectarisch leven leiden. Afgezien van deze richtingen, zijn er maar twee wijzen, waarop principiëel de verhouding van kerk en wereld bepaald kan worden, de Roomsche en de Protestantsche, de supranatureele en de ethische. Rome beschouwt het natuurlijke niet als zondig gelijk het Anabaptisme en komt niet tot mijding en scheiding, maar leert wel, dat het natuurlijke van lager orde is, licht oorzaak van zonde wordt en daarom den teugel van het bovennatuurlijke behoeft. Gelijk het beeld Gods als een donum supernaturale aan den natuurlijken mensch werd toegevoegd, zoo komt van boven

*) Calvijn, Inst. IV c. 9. Polanus, Synt. 541. Bullinger, Van de Conciliën. Dordr. 1611. Martyr, Loei Comm. 407. Junius, Op. II 1Ó29. Theses Salmur. III 505. Amyraut, Du gouvernement de 1'Eglise contre ceux qui veulent abolir 1'usage et 1'autorité des synodes, Saumur 1653. Heidegger, Corp. Theol. II 613. Turretinus, Theol. El. XVIII qu. 33. Synopsis pur. theol. disp. 49. Voetius, Pol. Eccl. IV 114—272. Eedevoering van C. Vitringa, over de Synoden enz., uit het Latijn door S. H. van Idsinga, Ilarl. 1741. De Moor VI 439—461. M. Vitringa IX 1 bl» 574—653. Ch. Hodge, Discussions on Church polity, New-York 1878 bl. 364—456. Karl Lechlcr, Die neut. Lebre v. b. Amte 1857 bl. 254—275. Stahl, Die Kirchenverfassung u. s. w. 332 v. Hauck, art. Synoden in PRE3 XIX 262—277.

Sluiten