Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Schrift, in den vorm der Schrift tot ons komt, maar zóó dat het, uit de Schrift in het bewustzijn der gemeente opgenomen, van daaruit weer in den vorm van vermaning en toespraak, opvoeding en onderwijs, boek en geschrift, tractaat en vertoog tot de verschillendste menschen uitgaat en zijne werking doet. En altijd staat God achter dat woord; Hij is het, die het in die onderscheidene vormen tot de menschen doet uitgaan en ze alzoo roept tot bekeering en leven. In de Schrift is dan ook de uitdrukking woord Gods nooit met de Schrift identisch, al mag de Schrift door ons zonder twijfel Gods woord worden genoemd. Eene enkele plaats moge zich laten aanwijzen, waar de uitdrukking woord Gods op een gedeelte der H. Schrift, bijv. op de geschreven wet wordt toegepast. Maar overigens is woord Gods in de Schrift nooit hetzelfde als de Schrift, wat ook daarom reeds onmogelijk is, wijl de Schrift toen nog niet compleet was. De uitdrukking woord Gods heeft in de Schrift velerlei beteekenissen en kan aanduiden de kracht Gods, waardoor Hij de wereld schept en onderhoudt, of zijne openbaring aan de profeten, of den inhoud der openbaring of het Evangelie, dat door de apostelen verkondigd werd 1). Doch altijd is het een woord Gods, d. i. nooit een klank alleen maar een kracht, geene loutere bekendmaking doch tevens een volbrenging van zijn wil, Jes. 55 : 11. Door het woord schept en onderhoudt God de wereld, Gen. 1: 3, Ps. 33 : 6, 148: 5, Jes. 48:13, Rom. 4 :17, 2 Cor. 4 : 6, Hebr. 1:3, 11:3, stilt Jezus de zee, Mk. 4 : 39, geneest de kranken, Mt. 8 :16, werpt de duivelen uit, 9 : 6, wekt de dooden op, Luk. 7 : 14, 8 : 54, Joh. 5 : 25, 28, 11: 43 enz. Door het woord werkt Hij ook op zedelijk en geestelijk gebied.

Het woord, dat God bezigt om op zedelijk en geestelijk gebied zijn wil bekend te maken en te volbrengen, is in wet en Evangelie te onderscheiden. Als Jezus op aarde verschijnt, om de komst van het in het O. T. beloofde koninkrijk aan te kondigen, Mk. 1: 15, om aan tollenaren en zondaren, aan armen en gevangenen het Evangelie der vergeving en der zaligheid te brengen, Mt. 5: lv., 11:5, 28—30, Luk, 4 : 18, 19, 19 : 10 enz., komt Hij vanzelf in strijd met de farizeesche, nomistische opvatting der religie, die er in zijn tijd heerschte. Toch, al verwerpt Hij de menschelijke inzettingen der ouden, Mt. 5 :21v., 15 : 9, en al heeft Hij eene andere opvatting van doodslag, Mt. 5 :16, overspel, 5 : 27, eed, 5 : 33, vasten, 6 : 16,

Verg. deel I 421.

Sluiten