Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echtscheiding Mt. 19 : 9, sabbat, Mk. 2 : 27; Hij handhaaft de gansche, wet, ook in haar ceremoniëele bestanddeelen, Mt. 5:23, 24, 17 : 24—27, 23:2, 3, 23, Mk. 1:44, 11:16; Hij verklaart haar in haar geestelijken zin, Mt. 5—7, legt op haar ethischen inhoud den nadruk, beschouwt de liefde tot God en den naaste als haar hoofdsom, Mt. 7 :12, 9 :13, 12 : 7, Mk. 7 : 15, 12 : 28—34, en verlangt eene andere, overvloediger gerechtigheid dan die der Farizeën, Mt. 5: 20. Zelf heeft Hij, ofschoon meer dan de tempel, Mt. 12:6, zich dan ook onder de wet gesteld, Mt 3 : 15, en is gekomen, om de wet en de profeten te vervullen, 5:17. En daarom weet Hij, dat, al dringt Hij nooit op afschaffing der wet aan, zijne jongeren innerlijk vrij zijn van de wet, Mt. 17 : 26, dat zijne gemeente niet op de wet, maar op de belijdenis van zijne Messianiteit gegrond is, Mt. 16:18, dat in zijn bloed een nieuw verbond wordt gesticht, Mt. 26 : 28, dat in één woord de nieuwe wijn ook nieuwe lederzakken eischt, Mt. 9 : 17, en de dagen van tempel en volk en wet zijn geteld, Mk. 13 : 2. Jezus wil geen revolutionaire omverwerping van de wettische bedeeling des O.Verbonds, maar eene hervorming en vernieuwing, welke uit hare volkomene vervulling vanzelf geboren wordtx).

En zoo is het ook feitelijk toegegaan. De gemeente te Jeruzalem hield zich in den eersten tijd nog aan tempel en wet, Hd. 2 :46, 3 : 1, 10 :14, 21: 20, 22 :12. Maar eene nieuwe opvatting bereidde zich voor. Met de bekeering der Heidenen kwam de vraag aan de orde naar de beteekenis der Mozaïsche wet. En Paulus was de eerste die ten volle begreep, dat in den dood van Christus het handschrift der wet was uitgewischt, Col. 2:14. Paulus verstaat onder vo/xóg, tenzij eene nadere bepaling anders aanwijst, bijv. Rom. 3:27, Gal. 6:2, altijd de Mozaïsche wet, de gansche thora, inbegrepen ook de ceremoniëele geboden, Rom. 9 : 4, Gal. 2 : 12, 4 :10, 5 : 3, Phil. 3:5, 6. En hij beschouwt die wet niet, gelijk de brief aan de Hebreën, als onvolkomene, voorbereidende, Oudtestamentische bedeeling van het genade verbond, die verdwijnt, als de hoogepriester en borg van het betere verbond gekomen is, maar als de openbaring van Gods wil, als religieus-ethische eisch en vordering, als door God gewilde regeling van de verhouding tusschen Hem en den mensch. En van deze wet, zoo opgevat, leert Paulus nu, dat ze wel heilig en goed is, en door God geschonken, Rom. 2 :18, 7:22, 25, 9:4, 2 Cor. 3:3, 7, maar in plaats van, zooals de Farizeën beweerden,

Verg. deel III 234.

Sluiten