Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gerechtigheid te kunnen schenken, is ze krachteloos door het vleesch, Rom. 8 : 3, prikkelt de begeerte, 7:7, 8, vermeerdert de overtreding, 5 : 20, G-al. 3 : 19, bewerkt toorn, vloek en dood, Rom. 4 : 15, 2 Cor. 3 : 6, Gal. 3 : 10, en is slechts voor een tijd, om paedagogische redenen, tusschen beide ingekomen, Rom. 5 : 20, Gal. 3:19, 24, 4:2, 3. Daarom heeft dan nu ook die wet in Christus, het zaad der belofte, haar einde bereikt, Rom. 10:4;: de geloovige is vrij van de wet, Gal. 4:26v., 5:1, wijl Hij door Christus van den vloek der wet verlost, Gal. 3 :13, 4:5, en den Geest van het kindschap, den Geest der vrijheid deelachtig is, Rom. 8:15, 2 Cor. 3 : 16, 17, Gal. 5 : 18. Deze vrijheid des geloofs heft echter de wet niet op, maar bevestigt haar, Rom. 3 :31, wijl haar recht juist in degenen, die wandelen naar den Geest, vervuld wordt, 8:4. Die Geest toch vernieuwt de geloovigen, zoodat zij: een lust hebben in Gods wet naar den inwendigen mensch en onderzoeken wat Gods heilige wil is, Rom. 7 : 22, 12 : 2, Ef. 5 : 10, Phil. 1:10, terwijl zij door allerlei drangredenen, de groote barmhartigheid Gods, het voorbeeld van Christus, den duren prijs,, waarvoor zij gekocht zijn, de gemeenschap des H. Geestes enz. tot het doen van Gods wil worden aangespoord *).

521. Deze antithese tusschen wet en Evangelie werd in deChristelijke kerk, aan de eene zijde door het antinomisme in zijne verschillende vormen van Gnosticisme, Manicheïsme, Paulicianisme, Anabaptisme, Hattemisme enz., nog verscherpt en tot een onverzoenlijken strijd gemaakt. Heel het O. T. was van een lageren God afkomstig, van een toornenden, jaloerschen, wrekenden God, enwas nu door de gansch andere openbaring van den God der liefde^ van den Vader van Christus vervangen. Aan de andere zijde werd de antithese tusschen wet en Evangelie door het nomisme in zijne verschillende vormen van Pelagianisme, Semi-pelagianisme, Roma-

*) Verg. over de wet in het N. T. o. a. Holtzmann, Neut. Theol. I130v., 22 v^ L. Jacob, Jesu Stellung zum mos. Gesetz. Gött. 1893. Grafe, Die Paulin. Lehre v. Gesetz2. Leipzig Mohr. 1893. Zehnpfund, Das Gesetz in den paulin. Briefen, Xeue Kirchl. Zeits. 1897 bl. 384—419. Art. vofiog bij Crerner enz. Art. Law in Hastings DB en DCG. enz. Met deze houding, welke het N. T. tegenover de wet aanneemt, staat de Christelijke vrijheid in verband, verg. Calvijn, Inst. III 19; Jlivetus, Synopis pur. theol. disp. 35. De Moor, Comm. V 214—217. Joh. Weiss?. Die Christl. Freiheit nach der Verkündigung des Ap. Paulus. Göttingen 1902. II. H. Kuyper, De Christelijke vrijheid. Kampen 1898.

Sluiten