Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geheel en al, miskende het Evangelie in het Oude en de wet in het N". Test., vatte de gansehe leer, door Christus en de apostelen verkondigd, als Evangelie op, nam daarin niet alleen beloften, maar ook wetten en bedreigingen aan, en maakte het Evangelie dus tot eene tweede wet. De Paulinische antithese van wet en Evangelie werd uitgewischt. Want al is het, dat Paulus onder de wet de gansehe O. T. bedeeling verstaat, hij beschouwt haar dan juist in haar wettischen vorm en stelt ze zoo lijnrecht tegen het Evangelie over. En ook als hij dat doet, erkent hij, dat de wettische bedeeling de belofte, die reeds aan Abraham was geschied, geenszins heeft teniet gedaan, Gal. 3:17, 21, dat ook in de dagen des O. Y. het Evangelie verkondigd is, G-al. 3:8, dat ook toen de gerechtigheid verkregen is uit en door het geloof, Rom. 4:11, 12, 11: 32, Gal. 3:6, 7. Yan de wet als wet, afgezien van de belofte, aan welke zij in het O. T. dienstbaar gemaakt was, beweert Paulus, dat zij niet rechtvaardigen kan, dat zij de zonde vermeerdert, dat zij eene bediening der verdoemenis is en juist daardoor de vervulling der belofte voorbereidt en eene andere gerechtigheid, n.1. de gerechtigheid Gods in Christus door het geloof noodzakelijk maakt. En deze antithese van wet en Evangelie werd door de Hervorming weer ingezien. Wel komen er uitspraken bij kerkvaders voor, die ook van een beter inzicht getuigen1). Maar het komt tot geen helderheid, omdat zij de onderscheiding tusschen wet en Evangelie altijd weer verwarren met die tusschen Oud en Nieuw Yerbond.

Doch de Hervormers, eenerzijds de eenheid van het genadeverbond in zijne beide bedeelingen tegen de Wederdoopers vasthoudende, hebben anderzijds het scherpe contrast van wet en Evangelie in het oog gevat en daardoor het eigenaardig karakter van de Christelijke religie als religie der genade weer hersteld. Ofschoon toch wet en Evangelie in ruimer zin voor de oude en nieuwe bedeeling van het genadeverbond kunnen worden gebezigd, in hun eigenlijke beteekenis duiden zij toch twee openbaringen van Gods wil aan, die wezenlijk van elkander verschillen. Ook de wet is Gods wil, Rom. 2:18, 20, heilig en wijs en goed, geestelijk. Rom. 7 :12, 14, 12 : 10, het leven gevend aan wie haar onderhoudt, Rom. 2 : 13, 3 :12; maar zij is door de zonde krachteloos geworden, rechtvaardigt niet, maar prikkelt de begeerte, vermeerdert de zonde, werkt toorn, doodt, vervloekt en verdoemt, Rom. 3 : 20, 4:15, 5 :

Zie de citaten bij Suicerus t. a. p. en bij Gerhard, Loei theol. XIV 16.

Sluiten