Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

immers gebracht tot redelijke en zedelijke menschen, die voor zichzelven Gode verantwoordelijk zijn en daarom tot geloof en bekeering moeten geroepen worden. De eischende, roepende vorm, waarin het Evangelie optreedt, is aan de wet ontleend5 elk mensch is niet eerst door het Evangelie, maar is van nature door de wet verplicht, God op zijn woord te gelooven en dus ook het Evangelie, waarin Hij tot den mensch spreekt, aan te nemen. Daarom legt het Evangelie van stonde aan beslag op alle menschen, bindt het hen in hunne conscientie, want die God, die in het Evangelie spreekt is geen andere dan die zich in zijne wet aan hen heeft bekend gemaakt. Geloof en bekeering worden daarom van den mensch in naam van Gods wet, krachtens de relatie, waarin de mensch als redelijk schepsel tot God staat, geëischt; en die eisch richt zich niet alleen tot uitverkorenen en wedergeborenen, maar tot alle menschen zonder onderscheid.

Maar zij zijn zelve toch inhoud van het Evangelie, geen werkingen of vruchten der wet. Want de wet eischt wel geloof aan God in het algemeen, maar niet dat speciale geloof, dat op Christus zich richt, en de wet kan wel fierafieXsia, poenitentia, werken maar geene /isravoia, resipiscentia, die veeleer vrucht is van het geloof. En juist wijl geloof en bekeering, schoon de mensch daartoe van nature door de wet verplicht is, inhoud van het Evangelie zijn, kan er sprake zijn van een wet, van een gebod, van een gehoorzaamheid des geloofs, Rom. 1:5, 3 :27, 1 Joh. 3:23, van een ongehoorzaam zijn aan en een geoordeeld worden naar het Evangelie, Rom. 2 :16, 10 :16 enz. "Wet en Evangelie, in concreto beschouwd, verschillen niet zoozeer daarin, dat de wet altijd in bevelenden en het Evangelie in belovenden vorm optreedt, want ook de wet heeft beloften, en het Evangelie vermaningen en verplichtingen. Maar zij verschillen vooral in inhoud: de wet eischt, dat de mensch zijne eigene gerechtigheid uitwerke, en het Evangelie noodigt hem, om van alle eigengerechtigheid af te zien en die van Christus aan te nemen en schenkt daartoe zelfs de gave des geloofs. En in die verhouding staan wet en Evangelie niet alleen vóór en bij den aanvang der bekeering; maar in die verhouding blijven zij staan heel het Christelijk leven door, tot aan den dood toe. De Lutherschen hebben bijna alleen oog voor de beschuldigende, veroordeelende werking der wet en kennen daarom geen hooger zaligheid dan bevrijding van de wet. De wet is alleen noodig om der zonde wil. In den volmaakten toestand is er geene wet. God is vrij van

Geref. Dogmatiek IV. 32

Sluiten