Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wet; Christus was volstrekt niet voor zichzelf der wet onderworpen; de geloovige staat niet meer onder de wet. De Lutherschen spreken wel is waar van een drieërlei usns der wet, niet alleen van een usus politicus (civilis), om de zonde te beteugelen, en een usus paedagogi-cus, om kennis der zonde te wekken, maar ook van een usus didacticus, om den geloovigen tot regel des levens te zijn. Maar deze laatste usus is toch enkel en alleen daarom noodig, wijl en in zoover de geloovigen nog zondaren blijven en door de wet in toom gehouden en tot voortdurende kennis der zonde geleid moeten worden. Op zichzelf houdt met het geloof en de genade de wet op en verliest al haar beteekenis.

De Gereformeerden dachten er echter gansch anders over. De usus politicus en de usus paedagogicus der wet zijn slechts toevallig noodig geworden door de zonde; ook als deze wegvallen, blijft de voornaamste usus, de usus didacticus, normativus over. De wet is toch uitdrukking van Gods wezen; Christus was als mensch vanzelf voor zichzelf der wet onderworpen; Adam had vóór den val de wet in zijn hart geschreven; bij den geloovige wordt zij weer op de tafelen zijns harten gegrift door den H. Geest; en in den hemel zullen allen wandelen naar des Heeren wet. Het Evangelie is tijdelijk, maar de wet is eeuwig en wordt juist door het EvaDgelie hersteld. De vrijheid van de wet bestaat dan ook niet daarin, dat de Christen met die wet niet meer te maken heeft, maar zij is hierin gelegen, dat de wet van den Christen niets meer als voorwaarde der zaligheid eischen, hem niet meer veroordeelen en verdoemen kan. Overigens heeft hij een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch en bepeinst ze dag en nacht. En daarom moet die wet altijd in het midden der gemeente, in verband met het Evangelie, verkondigd worden. Wet en Evangelie, het gansche woord, de volle raad Gods is inhoud van de prediking. Veel breeder plaats dan in de leer der ellende neemt daarom de wet bij de Gereformeerden in de leer der dankbaarheid in 1).

i) Verg. Luther bij Köstlin, Luthers Theol. I 157 v. II 237 v. 496 v., bij Loofs, Dogmengesch4. 774 v. J. T. Muller, Die symb. Bücher der ev. luth. Kirche bl. 87, 181, 533, 633. Gerhard, Loc. XII—XIV. Quenstedt, Theol. IV 1—72. Hollaz, Ex. theol. 996—1043. Zwingli in mijne Ethiek v. Zw. bl. 47 v. 76 v. Calvijn,

Inst. II 7—9. Zanchius, Op. VIII 509. Witsius, Misc. Sacra II 840—848. De Moor,

Comm. III 377 v. M. Vitringa, Doctr. VI 253—292. Schneckenburger, Vergl. Darat.

I 127 v. Frank, Gesetz und Evangelium, Dogm. Studiën 1892 bl. 104—135. Gottschick, art. Gesetz und Evangelium in PRE3 VI 632—641.

Sluiten