Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

woord gehecht, geene enkele genade meedeelde, die niet door het woord geschonken werd en dus zonder het woord hoegenaamd geene waarde had; en dat niet het sacrament zelf, maar toch wel zijne werking en vracht afhing van het geloof en in den ontvanger dus altijd het zaligmakend geloof onderstelde. Maar overigens openbaarde zich in de sacramentsleer tusschen de Hervormers al spoedig belangrijk verschil. De sacramenten werden tusschen Roomschen, Lutheranen, Zwinglianen, Gereformeerden, Anabaptisten enz. bet middelpunt van den strijd. Zij werden bet scbibboletb van elk dogmatisch systeem; daarin belichaamden zich practisch en concreet de beginselen, van welke men in kerk en theologie, in leer en leven uitging. De verhouding van God en wereld, schepping en herschepping, Goddelijke en menscbelijke natuur in Christus, zonde en genade, geest en stof kwam in het sacrament tot hare practische toepassing; alle strijd bewoog zich om de unio sacramentalis, de vereeniging van teeken en beteekende zaak, het verband van sacramentum en res sacramenti. Luther legde eerst, in 1518 en 1519, al den nadruk op het geloof, dat alleen het sacrament werken doet en zoo de gemeenschap aan Christus en zijne weldaden ons deelachtig maakt; dan van 1520 tot 1524, bracht bij bet sacrament vooral in verband met bet woord, waarvan het een teeken en zegel is; en eindelijk, na 1524, kwam bij er, uit vrees voor de Wederdoopers, meer en meer toe, om de sacramenten onontbeerlijk te achten, hun objectief karakter op grond van de instelling van Christus te handhaven, en het verband tusschen teeken en beteekende zaak temporeel, corporeel en locaal op te vatten, zoodat naar de latere Luthersche voorstelling de res coelestis in, met en onder het element verborgen is, gelijk de kracht des H. Geestes ingegaan is in het woord, en de genade door de sacramenten werkt als door bare instrumenta, media, adminicula, vehicula, organa 1).

Daartegenover leerde Zwingli, dat de sacramenten, wijl zij alleen bediend worden aan zulken, die het geloof en door dat geloof Christus en al zijne weldaden deelachtig zijn, in de eerste plaats teekenen en bewijzen des geloofs, belijdenisacten zijn, en dan in de tweede plaats ook middelen tot versterking des geloofs, wijl zij

*) Luther bij Köstlin, II 503 v., bij Grutzmacher, Wort und Geist bl. 8 v., bij Loofs, Dogmengesch.4 731 v. Heppe, Dogm. d. d. Prot. III 39 v. J. T. Muller, Die symb. Bücher bl. 39, 41, 202, 264, 321 enz., en voorts de Luthersche theologen boven genoemd.

Sluiten