Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 58. De Doop.

Bij de in de vorige paragraaf aangehaalde litteratuur zij hier speciaal nog genoemd: Höfling, Das Sakrament der Taufe. 2 Bde. Erlangen 1859. Althans, Die Heilsbedeutung der Taufe im N. T. Gütersloh 1898. Rencltorff, Die Taufe im Urchrist. im Lichte der neueren Forschungen. Leipzig 1905. Scheel, Die dogm. Behandlung der Tauflehre in der mod. pos. Theol. Tübingen 1906, en zij voorts verwezen naar de artikelen van Feine, Taufe, Schriftlehre in PRE3 XIX 396— 403. Kattenbusch, Taufe, Kirchenlehre, ib. 403-424. Dreics, Taufe, Liturg. Vollzug, ib. 424—450, en naar de hierna te noemen litteratuur.

530. De doop in het N. Test. werd in de dagen des O. Verbond» voorbereid door de besnijdenis, die door God uitdrukkelijk aan Abraham werd voorgeschreven, Gen. 17 :10v. Volgens Herodotus kwam de besnijding ook bij de Egyptenaren, Pheniciërs en Syriërs voor. De Gereformeerden trachtten dit getuigenis soms wel te weerleggen of ook aan te toonen, dat deze volken haar van Israël hadden overgenomen 1 j. Maar dit gevoelen is onhoudbaar. Bij de Egyptenaren was zij reeds in overoude tijden, althans voor de priesters, in gebruik. En nieuwere ethnologische onderzoekingen hebben aan het licht gebracht, dat de besnijdenis eene plechtigheid is, die bij tal van volken in Azië, Amerika, Afrika en zelfs Australië voorkomt2). Evenals God bij de instelling van tempel en priesterschap, van offer en altaar, van wetten en ordeningen onder Israël bij bestaande gebruiken onder andere volken zich aansloot, zoo deed Hij ook bij de besnijdenis. Hij nam ze als het ware over, maar gaf er eene anderer eene sacramenteele beteekenis aan. Want onder de volken kwam wel de lichamelijke besnijdenis voor, maar zij droeg daar geenszins het karakter van een sacrament. Ook werd ze daar dikwerf gelijk bij de -Egyptenaren, alleen aan enkele personen, en gewoonlijk niet in de eerste levensdagen maar op lateren leeftijd voltrokken 8). Als God echter bij Abraham de besnijdenis instelt, dan beveelt Hij, dat alwat mannelijk is besneden zal worden, zoowel de dienstknecht als de zoon des huizes \ dat die besnijdenis plaats hebben moet ten achtsten dage; en dat

') Bijv- Witsius, Aegypt. III 6, 11. 12. Marck, Med. Theol. 29, 8.

") I)ditz^h op Gen. 17. Orelli, art. in PEE3 II 660-662. Glassberg, Die Beschneidung in ïhrer gesch. ethnogr. relig. u. medic. Bedentung. Berlin Boas 1896. 3) Schürer, Gesch. d. jüd. Volkes I3 676 v., en Theol. Lit. Zeitung 13 Sept 1902.

Sluiten