Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij dient als teeken des verbonds, zoodat wie haar niet ontvangt, «en verbondbreker is en uit het midden van zijn volk moet worden uitgeroeid. Al moge de besnijdenis dus ook een sanitaire maatregel zijn, zij vindt daarin toch onder Israël haar doel niet; hier strekt zij tot teeken en bevestiging van het verbond der genade, welks ■ééne, groote, allesomvattende belofte is: Ik zal uw God zijn en de God van uw zaad, Gen. 17 : 7. Bepaaldelijk is zij een zegel van twee weldaden van dat verbond, van de gerechtigheid des geloofs, Rom. 4:11, en van de besnijdenis des harten, Deut. 10:16,30:6, Jer. 4:4, Rom. 2 :28, 29, Col. 2 : 11, dat is, van de rechtvaardigmaking of vergeving der zonden en van de wedergeboorte of heiligmaking. Niet dat zij deze weldaden werktuigelijk schenkt, want uitwendige besnijdenis zonder die des harten is zonder waarde, Hd. 7:51, Rom. 2 : 28, 29; 3 : 21, 30, 1 Cor. 7 :19, doch zij is een zegel van de gerechtigheid des geloofs en onderstelt dus het geloof. Toen de Joden hoe langer hoe meer hunne eigene gerechtigheid uit de wet zochten op te richten, werden zij evengoed als de Heidenen en in weerwil van hunne uitwendige besnijdenis verdoemelijk voor God, Rom. 3:21.

Daarom stelde God reeds vóór het openbaar optreden van Jezus door Johannes den waterdoop in. Ook deze doop was niet iets volstrekt nieuws, evenmin als oudtijds de besnijdenis. Heel de oudheid schreef in den godsdienst aan het water eene symbolische beteekenis toe. Het water van Eufraat, Indus, Ganges had eene verzoenende, heiligende kracht. Bij Grieken en Romeinen waren bij allerlei gelegenheden, bijv. bij inwijding in de mysteriën, wasschingen voorgeschreven 1). Ook onder Israël waren reeds langen tijd vóór de Goddelijke instelling van den doop allerlei wasschingen in gebruik 2), en voor de proselyten was behalve besnijdenis en offer ook een doop noodig, om in de gemeente te worden opgenomen3). Maar sacrament, teeken en zegel van genade, wordt deze doop toch eerst door de instelling Gods. Het N. Test. leert dan ook uitdrukkelijk, dat er een Qrtfia üsov tot Johannes uitging om te doopen, Luk, 3:2, 3, dat God hem daartoe zond, Joh. 1:33, dat zijn doop niet dv&QWTcoöv maar s§ ovqavov was, Mt. 21:25, en dat de

*) Pfanner, Syst. theol. gent, bl. 346.

*) Schürer, t. a. p. II 481. W. Brandt, Die jüd. Baptismen oder dag relig. Waechen und Baden im Judentum mit Einschluss des Judenchrist. Giessen 1910. Joh. Steinbeck, Kultische Waschungen und Bader im Heid. u. Jud. u. ihr Verhaltnis zur Christl. Taufe, Neue kirchl. Zeits. 1910 bl. 778—799.

3) Schürer, t. a. p. III 129.

Sluiten