Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Lutherschen x), bij gradueel verschil toch de wezenlijke identiteit van den Johanneïschen en den Christelijken doop vastgehouden. Maar deze werd bestreden door de Roomschen 2), de Anabaptisten, Socinianen, Arminianen en door vele nieuwere theologen 3).

Er zijn ook inderdaad tegen de identiteit gewichtige bezwaren in te brengen. Ten eerste wordt aan Mt. 3:11, Mk. 1: 8, Luk. 3 : 16 de bedenking ontleend, dat de doop van Johannes en de Christelijke doop tegenover elkander staan als water- en als Geestes- en vuurdoop. Doch Hd. 1:5 leert duidelijk, dat Johannes hier niet zijn doop tegen den Christelijken doop, maar tegen den overdrachtelijk zoo genoemden doop des H. Geestes op den Pinksterdag overstelt. De eigenlijke Christelijke doop is immers ook een doop met water, beteek en end de afwassching der zonden, en de doop van Johannes was eveneens een doop met water, maar die tevens verzegelde de bekeering en vergeving. Beide doopen komen dus in teeken en beteekende zaak geheel overeen. Anders zou er ook het ongerijmde uit volgen, dat niet alleen de doop van Johannes, maar ook de doop, dien Jezus zelf vóór den Pinksterdag door zijne discipelen bedienen liet, niets dan een doop met water ware geweest. En dat durven zelfs de bestrijders van de identiteit van den doop van Johannes en van Christus niet aan. Zij zeggen gewoonlijk, dat de Christelijke doop of reeds bij Jezus doop door Johannes óf ]pij het doopen van Jezus zelf door zijne discipelen ingesteld is. Maar beide doopen, zoowel die van Jezus als die van Johannes, waren onderscheiden van dien Geestesdoop, die op den Pinksterdag plaats hebben zou, al beteekenden en verzegelden zij beide ook dezelfde weldaden van bekeering en vergeving der zonden. Maar nu wordt toch weer — en dat is het tweede bezwaar tegen de bovenbedoelde identiteit — de Geestesdoop van den Pinksterdag met den Christelijken waterdoop in verband gebracht. Volgens Hd. 19 :1—7 trof Paulus te Efeze eenige discipelen aan, die gedoopt waren si? 10 Iooavvov flcctcti<7nof, die ^iccï^rjtcci en tci<stsv(Scivts$ heetten en toch den H. Geest niet ontvangen hadden en zelfs niet wisten, ft 7i v 8 vu cc dyiov sffviv. Door Paulus beter aangaande de prediking van Johannes onderricht, lieten zij zich doopen ei? zo övo/ia tov

1) Gerhard, Loei theol. XX 15 v. 43 v.

2) Thomas, S. Theol. III qu. 66 art. 4. Conc. Trid. sess. VII can. 1. Bellarminus, de bapt. I 5.

») Schleiermacher, Chr. Gl. § 136. Höfling, Das Sakr. der Taufe I 26 v. Van Oosterzee, Dog. § 87, 2 enz.

Sluiten