Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

xvqiov Irjoov, en de handen opleggen en ontvingen alzoo den H. Geest en begonnen te spreken in tongen en te profeteeren. Uit dit laatste blijkt, dat bij nvsv/xa dyiov hier, evenals 8 :15, 10: 4-4, 11: 15, 15; 8 aan de Geestesgave der glossolalie en profetie moet worden gedacht; deze hadden de discipelen in Efeze niet ontvangen en zij hadden ■er zelfs niet van gehoord. De doop gaf niet altijd die gave, niet alleen die van Johannes niet, maar ook niet die van Jezus. Want in Hd. 8:15 lezen wij, dat de geloovigen in Samaria wel gedoopt waren dg zo óvofia rov xvqiov IrjGov, maar nog geen van allen den H. Geest ontvangen hadden en dien eerst verkregen door handoplegging der apostelen. En evenzoo laat Hd. 19:6 deze gave niet een gevolg zijn van den doop, maar van de handoplegging. Doch het vreemde in Hd. 19 is, dat de discipelen in Efeze vóór deze handoplegging in den naam van den Heere Jezus gedoopt werden. Paulus moet dus den doop, dien zij ontvangen hadden, niet als een waren, echten doop hebben erkend. Zij waren gedoopt ■sig zo Iwavvov ficcnTiCfia. De doop van Johannes was wel goed, want hij doopte den doop der bekeering tot geloof in Christus. Maar onder de discipelen van Johannes, die bij hem gebleven en niet tot Jezus waren overgegaan, was er allerlei dwaling binnengeslopen, ook aangaande den doop; en zoo moesten de discipelen in Efeze niet op nieuw, maar voor de eerste maal in Jezus' naam gedoopt worden, want hun doop tot den naam van Johannes was geen ware doop, niet de echte Christelijke en ook niet de echte, oorspronkelijke Johanneïsche doop x).

531. De Goddelijke instelling van den doop valt dus reeds bij Johannes, maar Jezus heeft hem, na hem zelf ondergaan te hebben, overgenomen, door zijne jongeren laten bedienen, Joh. 3:22, 4:1, «n in Mt. 28: 19 voor alle geloovigen uit alle volken verplichtend gesteld. De laatste plaats wordt door velen als onecht beschouwd2), wijl in den apostolischeu tijd de doop nog plaats had in den naam van Jezus en de trinitarische formule eerst van later dagteekening is; en zelfs zijn er, die beweren, dat Jezus den doop heel niet voor

') Baldensperger, Der Prolog des vierten Evang. Freiburg Mohr 1898, die meent ■dat heel de proloog van Joh. 1 tegen deze Baptisten of volgelingen van Johannes den Dooper geschreven is. Verg. ook H. Oort, Mattheus XI en de Johannesgemeenten. Theol. Tijdschr. 1908 bl. 299-333.

2) Harnack, Entst. u Entw. der Kirchenverfassung und des Kirchenrechts bl. 187 198 acht de afleiding van de trinitarische formule uit heidensche speculatie

Sluiten