Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zijne gemeente ingesteld heeft. Daartegen bestaan echter allerlei bezwaren. Het is niet wel voor ontkenning vatbaar, dat Jezus zelf den doop van Johannes zich heeft laten toedienen en dezen daarmede erkend heeft; Hij leidt hem, waar hij er uitdrukkelijk over spreekt, uit een bevel Gods af, Mt. 21: 25. Ook is er geen grond om te ontkennen, dfit Jezus den doop heeft overgenomen en hem, zoo niet zelf, dan toch door zijne jongeren heeft bediend, Joh. 3: 22, 26, 4:1, 2, want Jezus trad met dezelfde prediking op als Johannes, n.1. van de nabijheid van het koninkrijk der hemelen en stelde voor den ingang daarvan dezelfde eischen, n.1. geloof en bekeeering, Mk. 1 :15; het lag dus voor de hand, dat Hij evenals Johannes den doop der bekeering toedienen liet aan een ieder, die tot den engeren kring van zijne discipelen wilde behooren. In Joh. 3 :5 is wel niet van den doop sprake, maar de plaats bewijst toch, dat de Geestesmeedeeling in de gemeente beschouwd werd als hebbende haar symbool in het water. Naarmate de tegenstelling van het Joodsche volk met Hem en zijne jongeren grooter werd, werd een acte van afzondering eenerzijds en van opname in de gemeente van Jezus anderzijds te meer noodzakelijk. De doop als inlijving in de Christelijke gemeente moet ook wel door Jezus zelf gewild en bedoeld zijn, wijl anders niet te verklaren zou zijn, dat hij terstond, zonder eenigen strijd, in alle Christelijke gemeenten, zoowel in die uit de Joden als uit de Heidenen, is ingevoerd en toegepast, Hd. 2 :38, 41, 8:12, 13, 16, 38, 9:18 enz. Rom. 6:3—5, 1 Cor. 1:13—17, Gal. 3:27, Ef. 5:26 enz. In 1 Cor. 1:17 zegt Paulus wel, dat Christus hem niet gezonden heeft om te doopen, maar om het Evangelie te verkondigen. Doch dit bewijst hoegenaamd niet, dat Paulus den doop gering schat of onnoodig acht; Rom. 6 en andere plaatsen leeren dit wel anders. Jezus heeft zelf den doop ook niet bediend, maar liet hem bedienen, verg. ook Petrus, Hd. 10: 48. En zoo ook hield Paulus zich voornamelijk met de prediking van het Evangelie bezig en liet het doopen en andere werkzaamheden bij de stichting en den opbouw der gemeenten aan zijne medearbeiders over.

(Usener, Dieterich) onjuist, en tracht daartegenover aan te toonen, dat ze op Joodsch-Christelijken bodem is ontstaan. Inderdaad valt aan onechtheid of interpolatie van den tekst in Mt. 28 :19, zooals Conybeare en Lake meenden, niet te denken (cf. A. Plummer, Comm. on St. Matthew. Londen 1909 bl. 431 v.), en gaan de getuigenissen voor de trinitarische formule zeker tot den aanvang der tweede eeuw terug (Riggenbach, Der trinitarische Taufbefehl Mt. 28 : 19, Gutersloh 1903).

Sluiten