Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nu heet de doop wel in den eersten tijd een doop «V tm óvo/iaii of tig to ovoficc Itjffov, Rom. 6:3, 1 Cor. 1:13, Gal. 3 : 27, Hd. 2 : 38, 8:16, 10:48, 19:5, maar daarmede is volstrekt niet gezegd, dat de doop met die bepaalde formule bediend werd. Immers zegt Paulus in 1 Cor. 10:2, dat de Israelieten tig tov Mwvarjv, in 1 Cor. 1 : 13, dat de geloovigen te Corinthe niet tig to ('vofia IlavXov, in 1 Cor. 12 :13, dat zij tig iv aoj/na gedoopt werden, en in Hd. 19 : 3 zeiden de discipelen te Efeze, dat zij dg to Iomvvov fiantianu waren gedoopt; in al welke gevallen niemand aan eene formule denkt, die bij den doop werd uitgesproken. De uitdrukking: in den naam van Jezus, is niet als formule bedoeld, maar is omschrijving van het karakter van den Christelijken doop l). De Israelieten lieten zich, uitgaande uit Egypte, in de wolk en in de zee doopen tig tov Mwvarjv, in betrekking tot Mozes, zoodat zij hem erkenden als hun redder en verlosser, op hem hun vertrouwen stelden en zich door hem lieten leiden. De discipelen te Efeze waren gedoopt tig to loiavvov fiaTTTiGficc, en hadden zich daardoor bij Johannes aangesloten. En zoo ook is en heet de Christelijke doop een doop in of tot den naam van Jezus, omdat hij de geloovigen in zijne gemeenschap stelt en alleen op Hem al hun vertrouwen richt. Ditzelfde is nu ook bedoeld, als Jezus Mt. 28 :19 zegt, dat zijne discipelen gedoopt moeten worden tig to óvofict tov nccTQog xcti tov vïov xai tov dytov nvtvliccTog Hij schrijft hier niet aan de apostelen voor, wat zij bij de bediening des doops zeggen, maar wat zij doen moeten; de Christelijke doop is en moet zijn eene inlijving in de gemeenschap met dien God, die zich als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard. De naam duidt God in zijne openbaring aan, en de hoogste openbaring Gods bestaat daarin, dat Hij zich kennen doet en noemen laat als Vader, Zoon en Geest. Het gedoopt worden in dien naam geeft dus niet maar te kennen, dat men op last of bevel Gods of tot de belijdenis van zijn naam gedoopt wordt; immers kan de uitdrukking: in den naam, met den persoon zelf worden afgewisseld, gelijk Paulus ook spreekt van gedoopt worden tig Xqiütov, Rom. 6 : 3, Gal. 3 : 27. Maar het wijst aan, dat de doopeling in betrekking tot en in gemeenschap met dien God gesteld wordt, die zich als Vader, Zoon en Geest heeft geopenbaard, en nu op grond daarvan ook verplicht wordt, om dien naam te belijden en te ver-

x) Zahn, Einl. in das Neue Test. II3 316

Sluiten