Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

heerlijken 1). Ofschoon Jezus echter na zijne opstanding den doop als eene inlijving in de gemeenschap met Vader, Zoon en Geest omschreven had, lag het voor de hand, dat hij in den eersten tijd meest met den persoon van Christus in verband werd gebracht. Het kwam bij de intrede in de gemeente allereerst aan op bekeering en op geloof in Christus, om in dien weg vergeving van zonden te erlangen, en daarvan was de doop het teeken en bewijs. Daarom heet de doop in de Hand. nog even als bij Johannes een /1c(7TTi(f[ia fieravoiag sig aysoiv cc/jhxqtkov, Hd. 2 : 38, 22 : 16.

Maar er kwam in den eersten tijd nog iets anders bij. Johannes en ook Jezus zelf hadden dezen doop der bekeering gesteld tegenover den Geestesdoop, die op den Pinksterdag plaats hebben zou. Deze Geestesdoop was volstrekt niet aan den waterdoop, den doop der bekeering tot vergeving der zonden, gebonden, want in Hd. 2:33 ontvangen alle discipelen dien Geest zonder doop; in Hd. 9 :17, 10:44 worden de gaven des Geestes aan Paulus, Corneliuse. a. reeds geschonken vóór den doop, cf. 11:15—17 ; in Hd. 8:1, 9 :17, 19 : 6 wordt glossolalie en profetie niet door den doop, maar door de handoplegging verleend. Toch was voor degenen, die buiten stonden, de doop der bekeering de gewone weg, waarlangs zij ook de gaven des Geestes konden ontvangen, Hd. 2: 38, 19 : 5, 6. Deze verbinding was echter tijdelijk; glossolalie en profetie waren niet de eigenlijke weldaden van den doop; de Christelijke doop bleef wezenlijk een doop der bekeering en des geloofs in Christus tot

x) De beteekenis van de formule: in den naam van, wordt tegenwoordig van religionsgeschichtliche zijde uit het naam-bijgeloof bij Joden en Heidenen verklaard, volgens hetwelk het uitspreken van een naam in gemeenschap stelt met den door dien naam voorgestelden persoon, aandeel geeft aan zijne macht, en dus eene magische werking uitoefent, verg. F. Giesebrecht, Die alttest. Schatzung des Gottesnamens und ihre religionsgesch. Grundlage. Königsberg 1901. W. Heitmuller, lm Namen Jesu. Eine sprach- und religionsgesch. Untersuchung zum N. T., speziell zur altchr. Taufe. Göttingen 1903. ld., Taufe und Abendmahl bei Paulus. Darstellung u. religionsgesch. Beleuchtung. Göttingen 1903. Verg. daartegen o.a. J. Weiss, Theol. Rundschau 1904 bl. 185—196. Boehmer, Die Studierstube 1904 bl. 388 v. A. van der Flier, Het gebruik van den Israël. Godsnaam, Theol. Stud. 1903 bl. 232—247; en zie verder J. Boehmer, Das bibl. »im Namen ' Giessen Ricker 1898. B. Jacob, lm Namen Gottes. Eine sprach- und religionsgesch. Untersuchung zum A. u. N. T. Berlin 1904. Brandt, in Theol. Tijdschr. 1891 bl. 595 v. 1902 bl. 193 v. 1904 bl. 335 v. Orelli, art. Name in PRE3 XIII 625 — 631. G. B. Gray, art. Name in Hastings D. B. III 478—481 en van J. C.. Lambert, in Hastings, DCG II 217—218.

Sluiten