Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vergeving der zonden. Zoo wordt hij ook overal in het N. T. verstaan en beschreven. Petras zegt 1 Petr. 3:21, dat, gelijk Noach en de zijnen door het water, dat de ark droeg, behouden zijn van den dood, zoo de geloovigen van het verderf gered zijn door den doop; maar die doop moet dan worden opgevat, niet als guqxoq ano&scig qvttov, niet gelijk hij uitwendig ons afleggen doet de onreinheid des vleesches, maar als a vvnót^at ojc dyctihfi ineqwtrjfia sig &sov, ói' clvuGTuaswg Iraov Xoiaiov, d. i. waarschijnlijk, de bede tot God om een goed, van schuld bevrijd, geweten, hetgeen de doop alleen is en wezen kan door de opstanding van Jezus Christus als bewijs van onze rechtvaardigmaking, Rom. 4:25. Dezelfde opvatting keert in den brief aan de Hebr. terug; deze rekent wel de óióaxr] flamiGi.ia>v, d. i. niet de leer van den Christelrjken doop maar van de wasschingen in het algemeen, waarvan eene rechte beschouwing voor Joodsche Christenen dringend noodig was, cf. 9 :10, tot de grondbeginselen van het Christendom, maar onderscheidt in den Christelijken doop twee elementen: de wassching des lichaams met rein water en de reiniging des harten van een kwaad, beschuldigend, geweten, 10:22, 23. Van eene andere zijde wordt de doop door Paulus beschouwd; hij brengt hem niet zoozeer met de rechtvaardigmaking, als wel met de heiligmaking in verband. Als indalen in en opkomen uit het water is de doop een afbeelding en onderpand van het treden in gemeenschap met Christus, met zijn dood en met zijne opstanding, Rom. 6 : 3—6, Col. 2:12. Zoovelen dan in Christus, in zijne gemeenschap, gedoopt zijn, die hebben Christus aangedaan, Christus zich toegeëigend, zoodat zij nu in Christus zijn, Hem toebehooren, Gal. 3 : 27—29, in nieuwigheid des levens wandelen, Rom. 6:4, 6v., El. 5:26, Gode leven, Rom. 6:11, 13, ja het leven van Christus zeiven in zich dragen, Gal. 2:20. En even als zij door den doop in gemeenschap met Christus getreden zijn, zoo ook met zijne gemeente, die zijn lichaam is; zij zijn allen door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, 1 Cor. 12:13, Rom. 12:5. De waterdoop is bij Paulus tegelijk Geestesdoop, maar niet een doop met de geestelijke gaven der glossolalie en profetie, doch met den Geest als beginsel des nieuwen levens. Gedoopte menschen zijn nieuwe, geestelijke menschen, jivivtianxoi. Maar deze vernieuwing des menschen door den H. Geest in den doop staat niet los naast en komt niet toevallig bij de rechtvaardigmaking uit het geloof. Beide vallen samen; de Corinthiërs zijn op hetzelfde oogenblik afgewasschen, geheiligd en gerechtvaardigd

Sluiten