Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in den naam van den Heere Jezus en door den Geest onzes Gods, 1 Cor. 6 :11. In den doop zijn al deze weldaden saamgevoegd en aan de geloovigen geschonken, hetgeen echter niet wegneemt, dat de Corinthiërs, trots hun doop, door Paulus nog guqxixoi, rrjmoi sv Xoigtm genoemd en voor mogelijken afval ernstig worden gewaarschuwd, 1 Cor. 3:1, 3, 10:1—12.

532. Eene vaststaande leer over en een algemeen geldende ritus bij den doop wordt in de oude Christelijke kerk nog niet aangetroffen. Maar toch kent de Didache reeds de trinitarische formule, terwijl Hermas nog spreekt van een doop in den naam des Heeren, of hem een zegel noemt van den Zone Gods, dat het leven geeft. "Wijl de doop de inlijving in de gemeente is, geeft hij deel aan al hare heilsgoederen, inzonderheid aan de vergeving van de verledene zonden en aan een nieuw, bovennatuurlijk, eeuwig leven door den H. Geest 1). Hoewel duidelijk gezegd wordt, dat het water in den doop zijne natuur behoudt, wordt de verbinding van teeken en beteekende zaak dikwerf op mystische wijze uitgedrukt; « rig èaxiv èv tm lóan %itoig, f'x Trfi ffvaewg san tov rêurog, «//' >-x vt)C rov wvfi>[.iocTog TCttQovaiag a). Ji' èxeivov tov vóarog »y it-siu y/toig rrjv alcoviov ówqsitcci fw/yj' 8). De doop wordt daarom ook met allerlei aan de mysteriën ontleende namen aangeduid, <patTiGfiog, iivgt^qiov, rt^errj, rsksiwatg, [ivrjOig, f.ivGrccya)yi<x, en beschouwd als óxrjfia nqog ovquvov, noog d-sov, xXeig oiqccvcov fiaGiXiiag 4). En toen sedert de tweede eeuw de godsdienstoefening uiteenviel in een openbaar en bijzonder deel, nam de bediening van doop en avondmaal hoe langer hoe meer een mysterieus karakter aan. Door het catechumenaat voorafgegaan, werd de doop zelf met allerlei symbolische handelingen omringd, zooals de presentatie van den doopeling door peetouders, het afleg-

Justinus, Apol. I 61. Tertullianus, de baptisino 4, 5. Cyprianus, de grat. 3, 4. Gregorius Naz., 40, 3 v.

2) Basilius, de Spiritu sancto c 15.

3) Theodoretus, qn. 26 in Gen., bij Suicerus s. v. (SuTlilGfia. Verg. Tertullianus, de bapt. 4.

4) Schwane, D. G. II 735. Hatch, Griech. u. Christ. bl. 219 Suicerus, s. v. Kattenbusch, PRE3 XIX 403, maakt echter de juiste opmerking: Natürlich bedeutet das nun micht, das die besonderen Ideen, unter denen man in den Mysterien von dem Einweihungsritus als Versiegelung oder Erleuchtung redete, auf die Taufe oder den Akt der Aufnahme in die sxxfojGtcc übertragen worden waren. De naam van zegel bijv. was reeds bij de Joden voor de besnijdenis in gebruik cf. Rom. 4:11.

Sluiten