Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

gen van belijdenis, het blazen op het aangezicht en de teekening met het kruis, het leggen van gewijd zout in den mond van den doopeling, het exorcisme, de driemaal herhaalde indompeling of besprenging, de zalving met het chrisma, het geven van een nieuwen naEvm, de omhanging met een wit kleed, de overreiking van eene brandende kaars, de opname in de gemeente, de broederkus, en soms daarna terstond de viering van het avondmaal1). Terwijl dus in den apostolischen tijd de doop terstond op de bekeering volgde en op de eenvoudigste wijze bediend werd, Hd. 2 :38, 41, 8: 12, 36, 10:47 enz., werd hij van de tweede eeuw af in een altijd meer zich uitbreidend ritueel gehuld en in een min of meer magisch werkend genademiddel veranderd. Zelfs Augustinus bevorderde de ontwikkeling van de leer des doops in dezen geest, al is het ook, dat hij bij volwassenen voor eene heilzame werking van den doop voorafgaand geloof en bekeering vereischte. Want ten eerste zegt hij, dat de doop de vergeving der zonden en de wedergeboorte slechts geeft binnen de kerk; het sacrament is een sacrament van Christus en door Hem aan zijne kerk gegeven; ketters en scheurmakers kunnen het wel medenemen buiten de kerk, maar dan is het een gestolen en wederrechtelijk bezeten goed en oefent daarom geene heilzame werking uit, maar strekt ad perniciem 2). Ten tweede schijnt hij bij kinderen eene heilzame werking van den doop ex opere operato te leeren; ongedoopt stervende kinderen gaan verloren3) maar bij hen, die gedoopt worden, vervangt de doop zelf of de voorbede der kerk of het geloof der ouders het geloof, dat zij zeiven nog niet oefenen kunnen 4). En ter derde schrijft Augustinus aan den doop in elk geval de werking van een character indelebilis toe, waardoor de gedoopten rechtens Christus en zijne kerk toebehooren en desnoods met dwang onder hare hoede mogen worden teruggebracht5).

De scholastiek bleef eerst nog wel bij Augustinus staan en erkende, dat de doop bij volwassenen het geloof onderstelde en ook niet

x) Suicerus, s. v. Moeller-von Schubert, Kirchengescli. I2 339. Verg. Catech. Rom. I[ 2 qu. 45 v. Bellarminus, de bapt. c. 24—27, en vooral het art. van Drews, PEE3 XIX 424-450.

*) Augustinus, de unit. eccl. 68. de bapt. 3, 13, 5, 7 v.

3) de anima I 9. III 12. de pecc. mer. I 20. de nat. et gr. 8.

4) de pecc. mer. I 19, 34 v.

5) de bapt. V. 21. \I 1. c. epist. Parm. II 16. Verg. Dorner, Augustinus bl. 248 v. Schwane, D. G. 11 744 v. Harnack, D. G. III 143 v. Kattenbusch, PRE» XIX 408-411.

Sluiten