Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

altijd zoo, dat wel de schuld en macht, doch niet de geheele smet der zonde wordt weggenomen; de radix aut fomes peccati blijft 1).

De Gereformeerden echter verwierpen de meeste ceremoniën, die allengs met den doop verbonden waren en keerden tot den eenvoud der H. Schrift terug. Zij gingen ook uit van de gedachte en trachtten deze vast te houden, dat de doop voor de geloovigen was ingesteld en dus het geloof niet werkte maar versterkte. Daardoor kwamen zij bij den kinderdoop voor eene dubbele moeilijkheid te staan. Ten •eerste moesten zij, voornamelijk tegenover de Anabaptisten, maar dan voorts ook tegenover Roomschen en Lutherschen aantoonen, dat de kinderen der geloovigen ook reeds vóór den doop als geloovigen te beschouwen waren en als zoodanig behoorden gedoopt te wezen. En ten andere waren zij verplicht, een antwoord te geven op de vraag, waarin bij kinderen de genadewerking des doops bestond, daar zij, als nog niet tot hun verstand gekomen zijnde en dus nog niet de fides actualis bezittende, ook moeilijk in dit geloof konden versterkt en bevestigd worden. Aan de laatste vraag werd •echter gewoonlijk weinig aandacht gewijd; men bepaalde er zich in het algemeen toe, om te zeggen, dat de doop voor de ouders •een bewijs was, dat hun zaad in het verbond Gods was opgenomen, voor de kinderen later bij hun opwassen tot een rijken troost en zegen was, en ook reeds in hun onbewusten staat hun recht gaf ■op de goederen van het genadeverbond a). De eerste vraag werd «chter van den aanvang af zeer verschillend beantwoord. Voor het recht van den kinderdoop beriep men zich eenparig op de H. Schrift, bepaaldelijk op hare leer aangaande het genadeverbond. Naar den regel van dat verbond moesten de kinderen en ook de volwassenen beoordeeld worden; geloof en bekeering geven geen recht op den doop, maar alleen het verbond. De kinderen, uit geloovige ouders geboren, waren geen heidensche kinderen, lagen niet onder den toorn Gods, verkeerden niet onder de macht van Satan, zoodat er •eerst een exorcisme bij hen moest plaats hebben. Maar zij waren vóór den doop kinderen des verbonds; de doop was daarom ook niet absoluut tot zaligheid noodig, en aan nooddoop bestond er

!) Luther bij Köstlin, II 507 v., Harnack, D. G. III 748. Loofs, Dogmengesch4. '753 v. Kattenbusch, PRE3 XIX 416 v. J. T. Muller, Die symb. Biicher bl. 30, 40, 163, 320, 361, 381, 485, 768, 780. Melanchton, Loc. de baptismo. Gerhard, IjOC. XX. Quenstedt, Theol. IV 106—176. Hollaz, Ex. theol. 1077—1103. Schmid, Dogm. d. ev. luth. K. § 54. Verg. ook boven bl. 30, 31.

2) Witsius, Misc. Sacra II 648—667.

Sluiten