Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zwaar, om deze vraag van het doopsformulier voor te- leggen aan ouders, die hun kind nog wel ten doop presenteerden maar overigens om God noch zijn gebod zich bekommerden; onder piëtistischen invloed hechtten zij aan de uitwendige doopshandeling hoe langer hoe minder waarde, drongen op persoonlijke bekeering aan en trokken zich in den engen kring der gezelschappen terug '). Anderen verstonden de uitdrukking in objectieven, verbondmatigen zin, zagen in den doop niets meer dan een teeken van het uitwendig verbond, waarop «en historisch geloof en een onergerlijk leven voldoende recht gaven 2).

Zoo werd in de Gereformeerde kerken zelve de doop schier geheel van zijne waarde beroofd en feitelijk die doopsleer ingevoerd, welke in de eeuw der Hervorming reeds door Socinianen en Anabaptisten en later door Remonstranten en Rationalisten gehuldigd werd. Deze komen toch bij alle onderling verschil daarin overeen, dat de doop niet als zegel der genade van Gods zijde, maar in de eerste plaats als belijdenisacte van 's menschen zijde waarde heeft. De doop werkt niets en geeft niets, maar is alleen een symbool van den overgang uit het Joden- en Heidendom tot het Christendom, een teeken van geloof en bekeering, een belofte van gehoorzaamheid en daarom óf in het geheel niet door Christus als een blijvend sacrament ingesteld öf in elk geval voor kinderen hoogstens geoorloofd en nuttig, doch niet noodzakelijk en geboden; de Kwakers gingen zelfs zoo ver, dat zij den waterdoop geheel verwierpen en alleen den doop des Geestes erkenden, en de Rationalisten streden erover, of de doop, die toch niet meer dan een plechtig zinnebeeld was, niet beter kon worden afgeschaft 3). Het moderne Protestantisme staat nog op dit standpunt en maakt den doop facultatief4), en bij vele anderen werkt de geringschatting van het

1) Lodenstein, Gentman, Koelman, Brakonier, van de Putt, Kelderman, Vos <3. a. bij Proost, Jod. van Lodenstein 1880 bl. 160, 229. Ypey, en Dermout, Gescli. <ler N. H. Kerk III 261—363. Ypey, Gesch. der Chr. Kerk in de achttiende Eeuw VI 164. M. Vitringa, VII 108, 115 v. De Moor V 489.

2) Ostervald, Conip. Theol. II 6, 4, 4. Vernet, Christ. Onderw. 300, en vooral Janssonius en van Eerde tegen Appelius, cf. M. Vitringa, VI 426 v. 498 v. VII 125 v. Over den oorsprong en den tekst van ons doopsformulier, benevens over •de bezwaren, die tegen het stipt lezen ervan werden te berde gebracht, zie men H. J. Olthuis, De Doopspraktijk der Geref. Kerken in Nederland 1568—1816. Utrecht 1908 bl. 130-184.

3) Verg. bij M. Vitringa, Doctr. VII 297—415, en voorts Strausz, Dogm. II 549—558. Wegscheider, Inst. Theol. § 171,172. Kant, Religion innerhalb usw. bl. 233.

4) Scholten, Initia bl. 247. Ehlers, Das N. T. und die Taufe. Giessen 1890.

Sluiten